Cuba laat 'opposanten' vrij

Moratinos en RaúlCuba heeft zopas aangekondigd dat ze de overblijvende 52 van de 75 gevangen die sinds 2003 vastzaten, zullen vrijlaten. Het zou de weg kunnen vrijmaken voor verbeterde relaties met de Europese Unie. In dit artikel bekijken we wie deze 75 zijn en waarom ze vastzaten.

Het zat er al een tijdje aan te komen. Na onderhandelingen met de katholieke kerk en ook met Morationos, de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken, heeft Cuba ingestemd om een groot gedeelte van de 75 gevangen die sinds 2003 vastzaten, vrij te laten.

Over die 75 zogenaamde opposanten is al heel veel te doen geweest. Maar wie zijn ze eigenlijk en in welke omstandigheden werden ze opgepakt?

Op zoek naar binnenlandse oppositie

We moeten daarvoor terugkeren naar het jaar 2002. In september van dat jaar wordt James Cason aangesteld als nieuwe zaakgelastigde van de VS in Havana (de officieuze ambassadeur). We zitten volop in het Bush tijdperk. De man staat gekend als een echte havik. Zo onderhoudt hij actieve banden met de Cuban Liberty Council, een paramilitaire organisatie in Miami die verantwoordelijk is voor meerdere terroristische acties tegen Cuba.(1) In de pers kondigt Cason meermaals aan dat hij aanstuurt op een ‘snelle en vreedzame overgang (lees omverwerping) van het regime'.

Zijn aanstelling moet dienen om een politieke oppositie op de been te krijgen in Cuba. Gedurende maanden doorkruist hij het grondgebied op zoek naar politieke opposanten. Naar eigen zeggen legt hij daarbij meer dan 7000 km af.(2) Enkele miljoenen dollars moeten voldoende zijn om zo'n legertje ‘opposanten' bij elkaar te kopen. De buit is echter zeer mager.

Cason samen met Cubaanse 'dissidenten'

Een bijkomend probleem is dat de politieke oppositie hopeloos verdeeld en versnipperd is. Omdat het op poten zetten van binnenlandse dissidentie een sleutelelement is in de nieuwe VS-strategie moet op dat vlak dringend wat gebeuren. Cason steekt niet onder stoelen of banken dat het zijn bedoeling is om de ‘dissidenten' te verenigen onder het commando van de VS. Hij is o.a. aanwezig bij de oprichting van een nieuwe oppositiepartij en organiseert verschillende vergaderingen op zijn kantoor en bij hem thuis om dat doel te bereiken. Aan deze ‘dissidenten' geeft hij financiële steun en belooft ze persoonlijke bescherming. Het is reeds langer geweten dat het overgrote deel van de zogenaamde binnenlandse oppositie een verlengstuk was van de VS. Maar nu wordt nauwelijks nog moeite gedaan om dat te verhullen.

Geen enkel land duldt een dergelijke verregaande buitenlandse inmenging in de interne politiek. Zeker niet als een buitenlandse mogendheid alles doet om het land te destabiliseren en te annexeren. Denk daarbij aan de inval in de Varkensbaai, de economische en financiële blokkade en de vele terreuraanslagen georganiseerd vanuit de VS. Op het ‘samenwerken met een buitenlandse mogendheid met de bedoeling het land te destabiliseren' staan bij ons en ook in alle Westerse landen zware straffen. In Cuba is dat niet anders.

De euforie na Irak

In het voorjaar van 2003 vallen de VS Irak binnen. De oorlogseuforie richt zich ook naar het Caraïbisch eiland. Hans Hertell, de VS-ambassadeur van de Dominicaanse Republiek en afkomstig uit de dichte kringen rond president Bush, verklaart direct na de val van Bagdad: ‘De gebeurtenissen in Irak zijn een positief signaal en ze zijn een goed voorbeeld voor Cuba."(3) Jeb Bush, broer van, verklaart ongeveer gelijktijdig: ‘Na het succes in Irak moeten we naar onze buur kijken. We moeten aan onze broeders in Latijns-Amerika en elders uitleggen dat een regime dat de mensenrechten niet respecteert, niet kan gehandhaafd worden."(4) Ondertussen oefenen paramilitaire groepen in Florida met zware wapens voor een eventuele invasie.(5) Het Witte Huis voert de druk op en beschuldigt Havana van het steun verlenen aan het internationale terrorisme. Meer bepaald gaat het over vermeende steun aan de eta (Spanje), farc en eln (Colombia) en het ira (Ierland). Bovendien wordt hen verweten dat ze weigeren criminelen uit te leveren.(6) De aantijgingen zijn grotesk, maar dat was bij Irak ook het geval.

Tijdens de oorlog tegen Irak wordt de spanning tegen Cuba ten top gedreven. Cason denkt dat hij zich alles kan permitteren. In de buitenlandse pers voert hij de agressieve toon tegen Cuba op, iets wat heel ongebruikelijk is bij diplomaten. Hij organiseert openlijk vergaderingen met tientallen tegenstanders van het regime. De Cubaanse regering waarschuwt dat ze dit niet zal blijven dulden, maar Cason negeert de waarschuwing.

Washington probeert ook een migratiecrisis te organiseren en lokt een golf van kapingen uit. De gijzelnemers weten dat ze in de VS nauwelijks vervolging riskeren. Sommige kapers worden zelfs als echte helden onthaald in de VS. Voor een voortvluchtige gevangene dus een ideale manier om definitief op vrije voeten te geraken. Naar aanleiding van deze golf van kapingen verklaart Kevin Whitaker, hoofd van het Cubabureau van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat deze beschouwd worden als een ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid van de VS.(7) Deze situatie had aanleiding kunnen geven tot een totale (militaire) blokkade vanwege de VS, wat dan al snel zou uitdraaien op een militaire confrontatie. In de maanden maart en april volgen de kapingen elkaar snel op. Tussen 19 maart en 10 april zijn er liefst 29 kapingen of pogingen daartoe.(8)

De 75

Het is in die uiterst gespannen context dat de 75 zogenaamde opposanten worden opgepakt en veroordeeld tot zware straffen. Op hun proces worden onweerlegbare bewijzen, waaronder foto's en door hen ondertekende documenten, aangebracht dat ze hebben samengewerkt met de VS en er financiële of andere hulp van hebben ontvangen. Die bewijzen worden geleverd door enkele vermeende topdissidenten die in werkelijkheid agenten zijn in dienst van de Cubaanse overheid. Eén van hen is Nestor Baguer, die jarenlang als dissident journalistiek werk deed voor Reporteurs sans Frontières, een Franse NGO die bekend staat voor haar Cuba-bashing. De aanhouding van de 75 is een zware slag voor de politieke oppositie en een serieuze streep door de rekening van Washington. Het steunpunt van het Witte Huis bij een eventuele interventie, wordt onschadelijk gemaakt.

Het is hier belangrijk te vermelden dat de 75 niet vastzaten omwille van hun afwijkende politieke overtuiging, maar omwille van hun samenwerking met een vijandige mogendheid met de bedoeling het land te ondermijnen. Deze mensen bestempelen als politieke of gewetensgevangenen, zoals regelmatig gebeurt, is dan ook niet correct. Dissidentie op zich is op Cuba geen reden voor vervolging. Topdissidenten als Oswaldo Payá, Manuel Cuesta of de blogster Yoani Sánchez vallen constant openlijk de Cubaanse revolutie aan. En zo zijn er nog wel een aantal. Deze mensen lopen tot op heden vrij rond. In eigen land kunnen ze niet op sympathie, laat staan aanhang rekenen. Ze vinden enkel gehoor in het buitenland, meestal op een buitenproportionele manier.

In het verleden werden reeds 23 van de 75 gevangen vrijgelaten omwille van gezondheidsredenen. Dat de overige 52 nu in vrijheid worden gesteld is niet evident. Het gaat immers om staatsgevaarlijke individuen die uit zijn op het omver werpen van de Cubaanse regering. Vandaar dat Cuba de uitwijzing uit het land als voorwaarde stelt voor hun invrijheidstelling. Hun vrijlating zal bij de Cubaanse bevolking in geen geval op applaus worden onthaald. Dat de Cubaanse overheid deze stap toch zet is wellicht het gevolg van de aanhoudende buitenlandse diplomatieke druk, het grote belang die in het buitenland aan de zaak wordt gehecht en de mogelijkheid van betere relaties met de Europese Unie.

Eindnoten

(1) http://adam.antville.org/stories/368934/; Roque F., No estamos dispuestos a renunciar a nuestra soberanía, Persconferentie 9 april 2003, Havana, p. 10.

(2) Cason J., Presentation to the Cuba Transition Project, www.usembassy.org.uk/cuba83.html.

(3) El Expresso, 13 april 2003.

(4) www.americas.org/news/nir/20030420_is_iraq_an_exemple_.asp.

(5) Het bericht verscheen in een lokale krant van Miami, de Sun Sentinel, 6 april 2003.

(6) Roque F., ‘Cuba no tiene nada que ocultar, ni nada de qué avergonzarse', www.rebelion.org 9 mei 2003.

(7) Associated Press 1 mei 2003.

(8) Wils E., ‘Cuba in Washingtons vizier?', Uitpers juni 2003, http://www.uitpers.be/artikel_view.php?id=105.


Deel dit artikel