De harteklop van Guatemala



Luc Vandenberghe en Hilde Camu, ook leden van het 11.11.11.- comité van Aalst, waren al op reis geweest naar het zuiden met een zelfklever van Broederlijk Delen op hun bagage en een bezoekschema in de binnenzak. Nu trokken Monique en ik met hen naar Guatemala voor drie volgeladen en uit de voegen barstende weken.



 


Jullie komen er niet door


Op het programma stond onder meer een bezoek aan de dorpelingen van San José del Golfo die zich haast twee jaar lang op geweldloze wijze verzetten tegen een Amerikaans mijnbedrijf dat met goud en zilver wil gaan lopen om daarna de streek in een maanlandschap achter te laten.

Met stip stond op onze agenda aangeduid: Yolanda Oquelí, die in oktober vorig jaar de Quetzalprijs van de vzw Guatebelga op de rechtsfaculteit van KULeuven in ontvangst nam, in onze armen sluiten.

Het was Marcia Méndez, de huidige voorzitster van FAMDEGUA, een mensenrechtenorganisatie die evenals GAM een antwoordt eist op de vraag: waar zijn de aangehouden en verdwenen personen gebleven, die ons samen met zoon Paco van HIJOS naar San José voerde. Yolanda was er. Die zondag werd een marathon van tien kilometers (onder de hete zon goed voor het vierdubbele) georganiseerd, bedoeld als opwarmer om een paar weken later twee jaar verzet tegen de mijnbouw vierend te herdenken.

Nog voor onze terugkeer naar België vernamen we het nieuws: het mijnbedrijf vroeg schriftelijk toelating aan de georganiseerde dorpelingen om de machines weg te halen. Het stond er reeds aan te komen nog tijdens onze ontmoeting met Yolanda. Blij, maar toch ook nuchter: 'Als ze er hier niet in slagen, zullen ze elders, wat verderop, beginnen.'

 


Ik wil mijn vader opgraven


Met Fons Huet uit Hoogstraten liepen we het convento, de pastorij van de kathedraal in de provinciale hoofdstad Cobán binnen. In een hoek van de galerijen hingen van boven tot onder houten kruisen met namen van mensen die aangehouden werden, afgevoerd naar de nabijgelegen kazerne en nooit terugkeerden.

Onlangs gaf Justitie na lange belemmering door de militairen toelating om in de kazerne te zoeken naar lijken. Een meter of anderhalve meter onder de grondoppervlakte troffen de forensische antropologen talrijke menselijke resten aan. Gewone arbeiders of vrijwilligers worden ingeschakeld om die een tot anderhalve meter grond weg te graven zodat de specialisten in het vak het kunnen overnemen om hun minutieus borstelwerk aan te vangen.

In de gangen van het convento troffen we een jonge kerel aan, een twintiger, geometrisch geknipt haar, wit hemd, das en colbert jasje. Hij hielp bij de graafwerken. 'Ik was twee jaar oud toen ze mijn vader meenamen. Ik wil hem eigenhandig opgraven.' 'Wat bezielt hem?' ging het door ons heen. Hij was te jong om het bewust meegemaakt te hebben. Misschien dat hij nu, met de officiële toelating om op te graven, de gruwel pas beleeft.

 


Hij kwam bij ons janken


Ademkan, een vrouwenorganisatie in het dorp Santa Catarina Palopó, aan de oevers van het mooiste meer ter wereld, het meer van Atitlán. De gemeente Evergem steunt hen. We vernamen dat promotor Julien uit Ertvelde daar ook in de buurt rondliep.

Vrouwen beschermen en weerbaar maken, daar komt het op neer. Tijdens een wandeling door het dorp vroegen we: 'Hoezo?' 'Ik geef jullie een voorbeeld,' zei onze gesprekspartner. 'Onlangs nog liet een man zijn vrouw met enkele kinderen zitten. We vergezelden haar naar de vrederechter. Die kon uiteindelijk niet langs onze argumenten heen. Hij verplichtte de man alimentatiegeld te betalen, niet echt vanzelfsprekend in deze contreien. Hij gaf toe, hij moest wel. We worden omwille van onze bezigheden nogal eens door de mannen gehaat. Deze keer was hij het die na een tijdje bij ons kwam janken en smeken om hem te helpen zijn vrouw terug te winnen.'



De gedaanteverandering van de maïs


We waren in de streek gebleven. 's Anderendaags heel vroeg stonden we met ons vieren te wachten aan een pompstation. Tevoren hadden we met de Nationale Raad van de boerenorganisatie CUC  in de hoofdstad afgesproken een kijkje te nemen in het binnenland en te proeven hoe CUC in de basis werkt. Terloops, de stad Aalst steunt de boerenorganisatie.

 'Oké, in een buitendorp van de regio Sololá bij de Kakchikeles,' hoorden we over de telefoon. Onze chauffeur was Gustavo, een blijde verrassing en weerzien. Hij was een paar jaren tevoren in Brussel, waar hij te gast was bij de vzw Frères des Hommes, die ook CUC steunt.

Bij aankomst kregen we een ontbijt. Uit een niet te definiëren keukentje werden maïstortilla's , een roerei en de obligate zwarteboontjesbrij aangevoerd. En een beker atol, zijnde een aangezoet maïspapje om door te spoelen. 's Middags kregen we maïsbrokken, gekookt niet in eigen sap, maar in de bladeren van de eigen kolven, daarnaast een maïssoepje op smaak gebracht met kleuren en kruiden en daarin een zwemmend stukje vlees. 'Hombres de maíz,' niet voor niets een literaire hoogvlieger, indertijd door het Nobelcomité voor Literatuur gelauwerd.

 

 

Misschien doen collectieve tranen minder pijn


De dag nadien reden we met enkele leden van het Nationaal Bestuur van de inheemse weduwenorganisatie Conavigua naar een buitendorp ook al in Sololá. Ze daagden met een twintigtal op. Op het eerste gezicht leek het op een modeshow zoals ze daar zaten in een soms afgedragen maar regenboogmooie verpakking, de typische kledij van de Kakchikelvrouwen van de streek. Elke vrouw was een tragedie, elk verhaal een nachtmerrie. De eigenhandig geweven doeken met geaderde motieven dienden afgewisseld om zweet en tranen te drogen.

Dankzij Conavigua hebben ze het onzegbare leren uitspreken en tegelijk leren spreken in het openbaar. De leden van de Nationale Raad overhandigden ons een mooi geschenkje, een geweven doekje, hoe kan het anders, opgespalkt en ingekaderd: Aan 'Fundación Bélgica' voor zoveel jaren steun.

 


Mayahiërogliefen leren ontcijferen


In Santa Lucía Cotzumalguapa aan de Zuidkust namen we deel aan een dagcursus samen met slachtoffers en overlevenden van de uitmoording door het leger. Ook ladinos of mestiezen hebben ergens Mayawortels in hun genen.

En dat wilde de Nederlandse antropoloog Ruud Van Ackere, die al twintig jaar in Cobán leeft en onderzoekingswerk verricht, de aanwezigen duidelijk maken. Ze werden tussendoor uitgenodigd geijkte hiërogliefen te ontcijferen. En het was hen  aan te zien, na enkele studiedagen die ze reeds achter de rug hadden konden ze er weg mee.

Ruud legde aan de hand van geprojecteerde schema's en schetsen de reusachtige Mayasite bloot die bloeide van El Baúl tot Bilbao ergens tussen 600 en 900 na Christus. Ik wist er iets van, want hier en daar steekt een stenen getuige de kop op boven de aardoppervlakte. Maar dat het over een machtige theocratisch-militaire Mayastaat ging, daarvan had ik geen flauw idee.

Guido De Schrijver  - uit Infobulletin van Steungroep 'Solidair met Guatemala'


Deel dit artikel