De waarheid over biobrandstoffen


fosfor biobrandstoffenOp heel wat vruchtbare gronden in de Andesregio die gebruikt werden voor voedselteelt, verbouwt men vandaag gewassen waaruit biobrandstoffen worden gegenereerd. De vraag naar biobrandstof stijgt; Europa wil tegen 2020 10% van de brandstof voor transport uit hernieuwbare energie halen.

Maar zijn biobrandstoffen wel zo bio of groen als de term doet vermoeden? En wat zijn de gevolgen voor de landarbeiders die instaan voor de productie van de grondstoffen voor biobrandstoffen?






'Bio' staat niet voor een groen en duurzaam alternatief. 'Bio' verwijst immers niet naar de biologische teeltwijze van de grondstoffen voor biobrandstoffen, maar naar biomassa. Dit is de biologische afbreekbare fractie van producten uit de landbouw, bosbouw of ander afval.

Velden vol biomassa

In de Andesregio worden duizenden hectaren landbouwgrond ingenomen voor de productie van grondstoffen voor biobrandstoffen. Colombia is dé kampioen in de productie van palmolie en bio-ethanol. In 2011 besloegen Afrikaanse palm- en suikerrietplantages 645.678 ha landbouwgrond. De Colombiaanse overheid heeft echter plannen om in de toekomst 3,5 miljoen ha te gaan benutten voor elk van deze teelten, in totaal dus 7 miljoen ha, om de toenemende vraag naar biobrandstoffen te beantwoorden.
Ook in Ecuador en in Peru worden om dezelfde reden steeds meer Afrikaanse palmbomen en suikerriet verbouwd.

 

 

Een stukje geschiedenis

In Ecuador en Colombia verbouwt men de Afrikaanse oliepalm sinds 1960 op grote schaal voor commerciële doeleinden; in Peru begon men pas met deze teelten midden jaren ´70. Vanaf 1990 nam wereldwijd de vraag naar palmolie voor voedingsproducten zoals chocolade, gebak, sauzen, chips, margarine, snoepjes en voorbereide maaltijden sterk toe. Vanaf 2000 ontstond de vraag naar palmolie voor de productie van biobrandstoffen.

Momenteel is Colombia de belangrijkste producent van palmolie in Latijns-Amerika met 951.000 ton palmolie in 2011. 36,7% hiervan was bestemd voor de nationale voedingsindustrie of diende als grondstof voor andere producten zoals zeep en cosmetica, terwijl reeds 46,5% diende als grondstof voor biodiesel. Ecuador is de tweede grootste producent van Latijns-Amerika met een productie van 380.301 ton palmolie in 2010. Peru komt op een vierde plaats met een bebouwde oppervlakte van 50.000 hectaren. Alle drie de landen proberen profijt te halen aan de toenemende vraag naar biobrandstoffen.

Deze toenemende vraag heeft alles te maken met de wetgeving in de EU, de VS en Canada die een bepaald percentage biobrandstof in benzine en diesel oplegt. Bovendien promoten verschillende internationale instanties agrobrandstoffen als bron van groene energie die moet bijdragen aan de strijd tegen klimaatopwarming. Ze stellen biobrandstoffen voor als een alternatief voor de fossiele brandstoffen, en als bron van investeringen, ontwikkeling en landelijke werkgelegenheid. Maar wat is hier nu van waar?

 

 

De waarheid over "bio"-brandstoffen

We zouden beter spreken van "agrobrandstoffen", want we weten intussen dat brandstoffen verkregen uit biomassa geen al te hoog biogehalte hebben en dat ze de klimaatopwarming eerder in de hand werken dan tegengaan. Daar zijn verschillende redenen voor: de ontbossing, de vermindering van de biodiversiteit, de vervuiling van de grond en van waterbronnen omwille van het intensief gebruik van kunstmeststoffen, veranderingen in het grondgebruik, uitputting van waterbronnen, en verarming van de grond die gecompenseerd wordt door een nog groter gebruik van herbiciden en pesticiden.

De productie van agrobrandstoffen heeft bovendien een grote impact op de productie van voedsel. Grote hoeveelheden voedselgewassen worden niet meer gebruikt om hongerige monden te voeden, maar dienen als grondstof voor de productie van agrobrandstoffen. Daardoor stijgen de voedselprijzen; prijsstijgingen leiden vanzelfsprekend tot meer honger.

 

Een politieke keuze

De oliepalm- en suikerrietteelten zorgen bovendien voor een grotere concentratie van de grond in handen van de economische machthebbers. De ongelijkheid die kenmerkend is voor het platteland in zowel Colombia, Ecuador als Peru wordt nog groter. Op het Colombiaanse platteland bijvoorbeeld, is 77% van de grond in handen van 13% eigenaars. Op die manier wordt er een industrieel landbouwmodel zonder boeren gecreëerd. De boeren verliezen hun grond en hebben geen andere optie dan te gaan werken voor de oliepalm- en suikerrietbedrijven die gekend staan voor het uitbuiten van hun werknemers.

In Colombia is de agro-industrie gericht op export, een van de vijf motoren die voor vooruitgang moeten zorgen, naast woningbouw, infrastructuur, mijnbouw en innovatie. Maar ook in Ecuador en Peru zet de regering in op grootschalige exportlandbouw. Dit is een zuiver politieke keuze die wordt vertaald in een beleid dat de uitbreiding van oliepalm- en suikerrietplantages stimuleert. Het zwengelt de industrie aan en geeft een duwtje in de rug voor het op de markt brengen van suiker en oliepalm door middel van subsidies, kredieten en belastingvrijstellingen voor de producenten.

Daarnaast zijn er ook in Colombia, Peru, en Ecuador wetten uitgevaardigd die het mengen van bio-ethanol en biodiesel met fossiele brandstoffen voor het transport verplicht maken, waardoor er een nieuwe nationale afzetmarkt gecreëerd wordt. In elk land gaat het bovendien om een beperkt aantal economische groepen die de palmoliemarkt in handen hebben. Hun economische macht wordt nog vergroot doordat ze de hele productieketen onder controle hebben, van het verbouwen van de gewassen tot het verwerken van de palmolie in voedingsproducten of tot biodiesel.

Tenslotte nemen de overheden het niet zo nauw met de controle op deze economische activiteit. Ze treden niet (streng) op tegen schendingen van arbeids- en mensenrechten, milieurechten en de rechten van lokale gemeenschappen.

 

 

Gevolgen voor de landarbeiders

Duizenden landarbeiders trekken er dag in dag uit op uit om in de broeiende hitte palmvruchten of suikerrietstengels te kappen voor de productie van biobrandstoffen. De meeste van deze landarbeiders waren vroeger kleine boeren. Maar waar er vroeger maïs, rijst, bonen, maniok, ananas en watermeloen verbouwd werden en de rivieren vol vis zaten, zie je nu niets anders meer dan Afrikaanse palmbomen of suikerrietvelden, zo ver de horizon reikt, en staat vis nog zelden op het menu. De kleine stukken grond zijn ingenomen door de grote bonzen uit de agro-industrie. Zij zijn de enige bron van werkgelegenheid in de omgeving. De landarbeiders zijn volledig aan hen overgeleverd. Ze werken meestal in onderaanneming aan een hongerloon, zonder veiligheidsvoorzieningen en sociale zekerheid, en dit terwijl de voedselprijzen maar blijven stijgen.

In Colombia werkt maar liefst 70% in onderaanneming. Velen krijgen te kampen met rugproblemen omwille van het zware kapwerk, of met ziektes die te wijten zijn aan de kunstmeststoffen en pesticiden, zonder vangnet om op terug te vallen, waardoor ze terechtkomen in de armoede. Naast het niet uitbetalen bij arbeidsongeschiktheid, krijgen de arbeiders af te rekenen met collectieve ontslagen, bevriezing van de lonen, het niet respecteren van de pauzes, het uitbetalen van 60% van de lonen en 40% als bonus, om minder sociale bijdragen te moeten betalen, enz.

In Colombia en Peru zijn er bovendien koppelbazen aan het werk die met een hoop valse beloften arbeiders ronselen voor de palmplantages in andere regio´s van het land. Zij komen dan bedrogen uit en moeten werken zonder contract, aan een miserabel loon, minstens tot ze hun "schulden" hebben afbetaald naar aanleiding van de gemaakte "reiskosten" en kosten voor medische onderzoeken. Soms wordt zelfs hun identificatie afgenomen en is er dus sprake van slavernij.

 

Wat kunnen we hieraan doen?

Als consument in het Noorden moeten we ervan bewust zijn dat biobrandstoffen niet zo groen zijn als ze worden voorgesteld en er in de ontwikkelingslanden waar de grondstoffen voor de biobrandstoffen vandaan komen, een hoge prijs betaald wordt om onze auto´s aan het rijden en onze machines aan het draaien te houden. Het is dus hoog tijd om na te denken over het ontwikkelingsmodel dat we willen. Voedsel dat niet meer dient om hongerige monden te voeden maar wel eindigt als agrobrandstof, draagt immers bij tot het hongerprobleem. In het Zuiden kunnen we ons steentje bijdragen zoals fos doet, door het organisatieproces van de arbeiders te steunen, en aan beleidsbeïnvloeding te doen om de arbeids- en levensomstandigheden op de plantages te verbeteren, en om de kleine landbouw opnieuw te stimuleren.

auteur: Jo Vervecken


Meer info:

Dit artikel maakt deel uit van het dossier 'Biobrandstoffen' van het laatste nummer van Fosfor, het ledenblad van fos-socialistische solidariteit. 


FOS DOOR:

Deel dit artikel