Opengereten aders: Wereldwijd breken conflicten uit rond Canadese mijnbouw

Intimidatiepatrouilles, doodseskaders, vermeende afrekeningen met islamitische terroristen, killing fields.

Een aantal van de Canadese mijnbedrijven in het buitenland worden inderdaad achtervolgd door een serie van die terreurmisdaden. Dat mondt momenteel uit in felle kritiek ten aanzien van het onverwoestbare machtshuis van de internationale mijnindustrie. Canada is een van de grootste spelers op het mijnbouwveld. Op het moment dat de explosieve groei binnen de sector wereldwijd aangevonkt wordt nemen Canadese bedrijven steeds de leiding. Maar, evenredig controvers als het over bloedige conflicten gaat die de Canadese speculatieve ondernemingen in tal van ontwikkelingslanden tot stand brengen. Vooral daar waar voor- en tegenstanders van de mijnbouw bereid zijn om te vechten op dood en leven voor de controle over het mineraalrijke gebied.

Niemand beschuldigt Canadese bedrijven ervan zelf intimidatiepatrouilles te hebben ingezet om hun tegenstanders te bedreigen. Maar mensenrechtenverdedigers, academici en zelfs bepaalde authoriteiten beweren dat enkelen onder hen hun medewerking verleenden aan bloedige regimes zoals in Congo en Myanmar om de mineraalreserves te verdedigen. Heel wat van die mijnbedrijven kwamen reeds in opspraak omdat ze de andere kant uitkijken als regeringstroepen, paramilitairen of mijnpatrouilles alle tegenstand brutaal onderdrukken of zelfs de mijninfrastructuur gebruiken om bepaalde wreedheden te begaan.

Voorstanders van de industrie verweren zich met het feit dat hoe hard zij ook hun best doen, ze maar heel weinig invloed hebben op de manier waarop aandeelhongerige regeringen en andere ‘pro-mijbouwsectoren’ reageren op protest. Overal doen mijnbouwbedrijven hun uiterste best voor de goede zaak in ontwikkelingslanden, luidt het vanuit het mijnbouwkamp. We brengen miljoenen dollars binnen onder de vorm van het zo noodzakelijke ontwikkelingsgeld, daarbij komen nog de immense bedragen voor liefdadigheidsprojecten.

Relatief low-profile in Canada zelf, is de Canadese mijnbouwsector een kolos in de wereldindustrie: van alle mijnbouwbedrijven in de wereld is zowat de helft Canadees. Samen nemen ze 40% van de exploratie en het onderzoek naar mineralen op mondiaal vlak voor hun rekening. Internationale bedrijven steunen zwaar op de Canadezen als het op technische expertise aankomt. Belastingsvoordeel heeft van Canada het “go-to-land” gemaakt om het nodige kapitaal te verzamelen voor mijnbouwprojecten.

Op de lijsten van beursgenoteerde bedrijven zoals die van de Toronto Stock Exchange en de TSX Venture Exchange staan meer dan 1000 mijnbedrijven, dat is meer dan in eender welk land. Met een massa ontwikkelingslanden die hoofdzakelijk rekenen op hun mineraalschatten om zichzelf uit de armoede te lichten is het helemaal geen toeval dat de Canadese mijnbouw in de wereldspotlight staat.

Maar critici beweren dat de realityshow in die spotlight heel wat Canadezen zou shockeren. De lijst van landen waar Canadese mijnbouwprojecten betrokken zijn bij mensenrechten-schendingen is onthutsend: Guatemala, Peru, Roemenië, de Filipijnen, Honduras, Ecuador, Bolivia, Ghana, Suriname, Congo, Papoea-Nieuw-Guinea, Tanzania, India, Indonesië, Zambia en Soedan.

Met persuitlatingen op wereldniveau, van de Guardian tot de Washington Post, zijn sommige Canadese mijnbouwbedrijven en dus ook Canada als land, stillaan een reputatie van mensenrechtenschenders aan het opbouwen. Critici zoals Graham Saul van de milieubeweging “Friends of the Earth Canada” beweren dat heel wat Canadese bedrijven ’s lands goede naam besmeuren in allerlei landen over de hele wereld.

Heel wat omstreden mijnen werden door de Canadese overheid sterk gesteund aan de hand van haar diplomatieke missies. Zelfs in die landen zoals bijvoorbeeld de Filipijnen waar mijnconflicten zelfs een guerrillaoorlog uitlokten.

“Canada stond steeds aan het voorfront als het over ethische codes ging” zegt Andre Lemay, de woordvoerder van het Departement van Buitenlandse Zaken en Internationale Handel (DFAIT). “Iedereen kan onze rapporten opvragen en inkijken”, voegt hij er nog aan toe.

Maar Graham Saul is van mening dat er dringend nood is aan een systeem dat in staat is om Canadese mijnbouwbedrijven verantwoordelijk te stellen. Zelfs een aantal Canadese wetgevers van verschillende partijen zijn het hierover eens. In juni drong de Permanente Commissie voor Buitenlandse Zaken en Internationale Handel er bij de federale regering op aan om bedrijven wettelijk verantwoordelijk te stellen “als bewezen is dat ze door hun mijnactiviteiten betrokken zijn bij milieudelicten en/of mensenrechtenschendingen in overzese landen”.

Amnesty International Canada heeft er bij de regering op aangedrongen om te handelen volgens de aanbevelingen van die Commissie. De regering had tot 19 oktober om een antwoord te formuleren aan het commissiepanel.


De mensen zijn geshockeerd als ze kennis maken met de heftige conflicten die rijzen rond Canadese mijnbouwprojecten, zegt Carlos Zorrilla. De man werkte in 2003 mee aan een uitgebreid overzicht van de door de Wereldbank begeleide ontginningsindustrie. De problemen met Canadese mijnbedrijven kwamen steeds opnieuw aan bod bij internationale ontmoetingen in het kader van het rapport. Zorrilla, een milieuactivist, werd zelf bedreigd met de dood door zijn betrokkenheid bij een onderzoek naar een Canadees mijnbouwproject in zijn moederland Ecuador.

Maar woordvoerders van de Canadese mijnindustrie beweren dat hun imago ongeschonden is. “Overal ter wereld heeft de Canadese mijnbouw een heel positieve en goede reputatie”, beweert Pierre Gratton. De man is woordvoerder van de Canadese Mijnvereniging, die organisatie vertegenwoordigt ’s lands grootste mijnbouwbedrijven. Onder hun leden bevinden zich monsterbedrijven zoals Barrick Gold Corp. en Falconbridge Ltd.. “We zijn erkende wereldleiders in onze industrietak en worden in alle landen welkom geheten omwille van onze onberispelijke reputatie”, voegt hij er nog aan toe.

Jean Vavrek van het Canadees Instituut voor Mijnbouw, Metallurgie en Petroleumindustrie – de vertegenwoordiging van zo’n 12.000 ondernemingen uit de mineraalindustrie – kan alleen maar die mening bijtreden: “over het algemeen kan ik zeggen dat we heel goede getuigenissen hebben over hoe Canadese mijnbedrijven handelen in het buitenland.” De mijnorganisatie werkt hard aan een gezamelijke verantwoordelijkheid. Vorig jaar maakte ze een code van goede praktijk bekend met betrekking tot duurzaamheid. Pierre Gratton hoopt dat deze op een dag met open armen zal ontvangen worden door alle Canadese mijnbouwbedrijven.

Maar hij geeft ook toe dat sommige Canadese ondernemingen, vooral jonge bedrijven, verwikkeld zijn in probleemsituaties. “Niemand kan ontkennen dat er grote grondconflicten geweest zijn in sommige delen van de zich nog ontwikkelende wereld. Soms raken daar Canadese mijnbouwbedrijven in betrokken met alle beschuldigingen van mensenrechtenschendigen op de koop toe.” De industrie werkt hard aan systemen om de ondernemingen bij te staan in het nemen van doordachte investeringsbeslissingen en het beter omgaan met extreme lokale conflictsituaties.


Hieronder een overzicht van voorbeelden, oorzaak van de controverse met betrekking tot de Canadese bedrijven:


CONGO

In juni onthulde een Australische TV-reportage dat een Canadees-Australisch mijnbedrijf een vliegtuig en voertuigen had uitgeleend aan de Congolese regeringstroepen om een opstand in Kilwa, in de buurt van de kopermijnen, te onderdrukken. Een VN-rapport meldt dat de soldaten tijdens de aanval 70 á 100 ongewapende burgers doodden, onder hen ook vrouwen en kinderen. Achtentwintig van die moorden waren standrechtelijke executies.

Anvil, gevestigd in Canada, bevestigt dat het voertuigen uitleende aan het Congolese leger. Maar ze beweren dat ze geen andere keuze hadden. Als de regering met gewapende mannen om logistieke steun komt vragen, en je kijkt recht in de loop van een aantal AK-47’s, dan geef je ze wat ze vragen” zegt woordvoerder Robert La Valliere. Het was niet de eerste keer dat ze voertuigen opeisten onder gewapende druk. Bovendien zijn de ondernemingen verplicht bij wet om te voldoen aan de eisen van de Congolese regering, voegt hij er nog aan toe.

Anvil beweert dat ze geen idee hadden van de plannen van de regeringstroepen en heeft de misdaden scherp veroordeeld. Een recent intern onderzoek vond geen duidelijke basis om de beschuldigingen van Anvils betrokkenheid in de massamoord aan te nemen. De onderneming voegt er aan toe dat ze werkt aan protocols om in de toekomst beter met de militairen om te gaan.

Anvil stelt meer dan 600 lokale mensen te werk. De onderneming bouwde een school en moderniseerde een ziekenhuis en de toegangswegen. Ze plaatste een petitie op de website van de lokale gemeenschap waarin ze de beschuldigingen van hun betrokkenheid bij de slachting veroordeelt.

De Wereldbank die de onderneming voorzag van een verzekering tegen politieke risico’s kondigde een onderzoek aan. Amnesty International vroeg om een onderzoek door het nationaal contactpunt van OECD, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling in Canada. Die organisatie onderzoekt klachten met betrekking tot bedrijven die zich niet houden aan de richtlijnen voor multinationale ondernemingen.

MYANMAR

Sinds 1996 investeerde Ivanhoe Mines Ltd. met hoofdzetel in Vancouver, meer dan 90 miljoen dollar in een samenwerkingsverband met het gewelddadig en repressief regime van Myanmar. Het project draait om de uitbating van een kopermijn met een 50-50 verdeling van de winst. Het regime van Myanmar staat bekend voor de vervolging van tegenstanders en het gebruik van dwangarbeid. Graham Saul lid van “Friends of the Earth” merkt op dat het Canada Pensioen Plan zich onder de investeerders van Ivanhoe bevindt. In feite doen 16 miljoen mensen zaken met één van ’s werelds meest brutale regimes zonder het te weten.

Het bedrijf verwerpt alle kritiek ten aanzien van zijn samenwerkingsproject en benadrukt dat de kopermijn meer dan 1600 directe en indirecte jobs heeft gecreëerd. “Wij leven met ons geweten en zijn ons heel erg bewust van onze verplichtingen tegenover heel veel mensen een halve wereld verderop, in Myanmar”, staat op de website van het bedrijf te lezen. http://www.ivanhoemines.com <http://www.ivanhoemines.com/>

De “Monywa-mijn” heeft het lokaal ziekenhuis gemoderniseerd, heeft water en elektriciteit in de gemeenschappen gebracht en nam heel wat initiatieven in onderwijsprojecten. De werknemers van de mijn krijgen een opleiding en hebben een pensioenplan.

Ivanhoe merkt op dat het de Canadese regering consulteerde vooraleer door te gaan met de investeringen. Laatstleden werd door de Kamer een verzoek ingediend om toekomstige investeringen in Myanmar te verbieden. De Canadese regering bestudeert het voorstel.

SOEDAN

Talisman Energy Inc. gevestigd in Calgary werd beschuldigd van betrokkenheid in genocidepraktijken in Zuid-Soedan. De onderneming maakte er van 1998 tot 2002 deel uit van een project voor het boren naar ruwe olie. In een rechtszaak geopend in de V.S. argumenteert de presbyteriaanse kerk van Soedan samen met enkele andere aanklagers dat Talisman deelnam aan de etnische zuiveringscampagnes van de Soedanese regering. Gedurende die campagnes werden in de buurt van de olievelden naar schatting 250.000 bewoners uit de weg geruimd.

In een Canadees onderzoek kon geen duidelijk bewijs van samenwerking worden gevonden, maar het maakt wel melding van het feit dat regeringsvliegtuigen op oorlogsmissie vaak bijtankten aan de zijde van Talimans vliegtuig. Het rapport van 2000 concludeert dat olie niet de oorzaak van het conflict was, maar dat “olie het conflict wel erger maakt”. Het rapport geeft ook aan dat het verzet aanstoot nam aan het feit dat de olieopbrengsten de regering genereus financierde terwijl ze een campagne van verschroeide aarde tegen hen voerde. Talisman verkocht zijn 25% van de aandelen in het project in 2002.

Beide partijen mogen op bevel van het gerecht de zaak niet bediscussiëren tijdens het proces. Niettegenstaande heeft Talisman de beschuldigingen in het verleden afgedaan als “compleet nutteloos en onwaar”. Het bedrijf voerde aan dat het handelde om goed te doen met de bouw van ziekenhuizen en scholen. Het bracht satellietbeelden aan als bewijs van een “insignificante ontvolking” van de regio.

ROEMENIË

De Britse milieuactiviste Stephanie Roth trotseerde doodsbedreigingen van onbekenden omdat ze de leiding had in een internationale campagne tegen de plannen van Gabriel Resources Ltd. in het Roemeense Rosia Montana. Het project van het bedrijf uit Toronto had een conflict veroorzaakt tussen pro en contra. Gabriel wou een groot deel van een historisch dorp met de grond gelijk maken en een Romeinse en pre-Romeinse mijn vernietigen. Dat zelfde jaar won Roth de Goldmanprijs voor haar rol in die zaak – de oscar wordt uitgereikt ter ere van wie zich inzet voor het milieu. Er is een geldprijs aan verbonden van $ 125.000.

De onderneming beweert de Roemeense wet met betrekking tot milieu en erfgoed tot op de letter te hebben nageleefd. Bovendien is de meerderheid van de bevolking voorstander van de mijn beweert ze. Tot hiertoe zijn 1000 van de 2000 bewoners akkoord voor een herlokalisering van de mijn. De mensen zijn voor de verplaatsing van de mijn omdat ze de jobs willen zegt woordvoerder Richard Young. Zonder de nieuwe mijn gaat de gemeenschap 90% werkloosheid tegemoet na de sluiting van de actieve mijn.

Gabriel had alle rechten om de regio te ontginnen verzekerd, maar in juni stak de rechter daar een stokje voor omwille van de archeologische waarde van de streek. Gabriel gaat in beroep.

BOLIVIA

In 1996 mondde een conflict in Amayapampa, in de buurt van de Canadese Capasirca-goudmijnen, uit in een bloedige tragedie. Negen doden en 32 zwaargewonden was de balans van het repressief optreden van regeringstroepen tegen de met stenen en dynamiet gewapende mijnwerkers. Twee van de slachtoffers waren niet ouder dan 15 jaar.

Volgens de Inter-Amerikaanse Mensenrechtencommissie hadden de ontevreden mijnwerkers het terrein ingenomen nadat de sociale onderhandelingen met de onderneming afgesprongen waren. De jury was van mening dat het inzetten van regeringstroepen om de situatie onder controle te krijgen erg overdreven was. In een vakpublicatie zegt de expert in mijnbouwethiek Simon Handelsman dat Da Capo Resources – nu Vista Gold Corp. – het voorval bagatelliseert in haar jaarrapport. “De onderneming had een team van prominente, bekwame en evaren mensen aan boord die voldoende leiderschap in zich hadden om de situatie te vermijden”, meent hij.

Vista herhaalt dat ze zich niet verantwoordelijk acht voor de tragedie. “De mijnwerkers namen de mijn in om ze voor zichzelf uit te baten. Het bestuur kan wel geïnformeerd worden over alle ontwikkelingen, maar het was uiteindelijk toch de regering die er zich ging mee bemoeien en het initiatief nam. Uiteindelijk hebben wij maar een beperkte invloed op de nationale overheid” zegt woordvoerder Howard Harlan.

FILIPIJNEN

Tegenstanders van de goudmijn Canatuan op het eiland Mindanao van TVI Pacific Inc. zeggen dat ze doodsbedreigingen ontvingen en dat er op hen geschoten werd aan de blokkades en checkpoints die opgericht waren door de veiligheidsdiensten en de mijnbewaking. In maart 2004 werden vier mensen verwond nadat de bewakingsdiensten op de manifestanten schoten. De onderneming beweert dat de manifestanten de bewaking bestormden en een ruit van een TVI-voertuig aan diggelen gooiden met stenen.

Volgens DCMI, een coalitie van lokale kerkgroeperingen, ontvangen 80 families nog steeds documenten met betrekking tot hun ontzetting en moeten ze nog steeds bedreigingen van de veiligheidsdiensten trotseren.

TVI beweert dat een kleine groep ontslagen mijnwerkers in maffiastijl samenzweert tegen de mijn. Zij hebben de mensenrechtenschendingen met opzet uitgelokt om de onderneming in discrediet te bregen na hun ontslag. “Het is volledig tegen het beleid van TVI dat ook maar iemand zou bedreigd worden in eender welke omstandigheid” zegt projectmanager John Ridsel.

De mijn zal meer dan 1000 directe jobs creëren en heeft reeds voorzien in onderwijzers en een kliniek. Dat kadert allemaal in het gemeenschapsontwikkelingsplan dat samengaat met het project. De mijn zal ook 35.000 bomen planten om bodemerosie tegen te gaan, aldus TVI.

De parlementaire commissie belast met het toezicht op de Canadese mijnbouw in het buitenland wijdde in juni een deel van haar rapport aan het Canatuan-project. De commissie stelt in haar rapport dat ze ernstig bezorgd is over de mogelijke impact van het project op de mensenrechten en in het bijzonder de rechten van de inheemse volkeren in de regio. Ze vraagt in een dringend verzoek aan de regering om een onderzoek in te stellen naar de Canatuanmijn. Ook Amnesty International in Canada heeft de regering gevraagd om de zaak uit te spitten.

De regio van Canatuan is een voedingsbodem voor terroristische activiteiten. In 2002 vielen Islamitische guerrillastrijders een TVI-voertuig aan. Ze doodden hierbij 13 mensen en er vielen 12 gewonden. Een vorig investeringsproject van TVI op Mindanao wordt onderzocht door de FBI nadat de mijnbouwers beschuldigd werden van Islamitische terroristen te hebben betaald voor bescherming. TVI ontkent alle aanteigingen.

INDIA

Een bitter conflict dat al twaalf jaar aansleept met betrekking tot een een groot bauxietproject door Alcan samen met een Indiaas bedrijf in het oosten van de staat Orissa, kwam opnieuw tot uitbarsting in december vorig jaar. De nieuwe conflictuitbarsting had nog maar eens de balans van 16 gewonden. Tegenstanders van de mijn beweren dat de politie hen routinematig controleert en bedreigt. In 2000 werden drie mensen gedood en 13 ernstig verwond in een protest tegen de mijn, die bevindt zich naar verluid op grond die toebehoort aan inheemse stammen.

“De Canadezen zouden zich eens moeten afvragen waarom hun bedrijven naar een arm land trekken en in naam van  de ontwikkeling mensen vermoorden”, zei een dorpsbewoner aan het Canadese tijdschrift Canadian Dimension. Alcan die 45% van de aandelen heeft in het project beweert dat het geen volledige controle heeft over hoe het werk met betrekking tot de mijn – nog steeds in een planningsfase – vordert. “We staan niet aan het roer en er is zoveel dat we zouden kunnen doen” zegt de woordvoerder van Alcan. Het is niet gema= kkelijk om de gemeenschappen die hier ver vandaan liggen en waar de mensen veel verschillende talen spreken gerust te stellen, voegt hij er nog aan toe.

Na het bloedbad in 2000 schortte Alcan alle werkzaamheden op tot het tevreden was met bepaalde verbintenissen van de lokale authoriteiten met betrekking tot hun verantwoordelijkheid in de ordehandhaving. Het bedrijf beweert dat er enkel 145 families zullen verplaatst worden en dat ze daarvoor heel genereus zullen vergoed worden. Onlangs kwamen 15.000 mensen naar een pro-mijnbouwbijeenkomst, en in maart dit jaar werd er een vervolg gehouden, laat Alcan weten.

BOTSWANA

In het Centraal Kalahari Game Reservaat heeft de regering van Botswana duizenden inheemsen van hun traditionele gronden verdreven om hen op een andere vestigingsplaats onder te brengen. De gedwongen verhuizingen zouden tot doel hebben de regio vrij te maken voor een mijnbouwproject. Het Canadese Falconbridge in samenwerking met het Zuid-Afrikaanse De Beers zouden er op zoek gaan naar diamant.

Botswana dat zelf 50 percent aandeel heeft in de operaties van De Beers, maakte de verdrijving van de inheemse gemeenschappen legaal door het recht dat die mensen hadden om in het reservaat te wonen uit de grondwet te halen. Naar verluid omwille van de discriminatie te aanzien van andere stammen.

In juli maakte de organisatie voor de rechten van inheemsen, Survival International, bekend dat zeven Bosjesmannen uit de kampen van de verdreven gemeenschappen gefolterd waren door ambtenaren van de natuurbescherming omdat ze aan het jagen waren in het reservaat. Een van hen stierf aan zijn verwondingen. Supermodel Lily Cole weigerde nog te werken als gezicht van De Beers omwille van het omstreden project. Die zomer smeet Gloria Steinhem een stok in de grootste showroom van de diamantdelver in de V.S..

De Beers beweert dat Survival International het verhaal rond de diamantmijn zelf uitvond omdat ze het regeringsplan in Botswana om Bosjesmannen onder te brengen in moderne gemeenschappen wil dwarsbomen. De diamantproducent zegt geen enkele intentie te hebben om iemand te verdrijven voor de uitbouw van zijn concessie. Volgens Linda Dorrington, woordvoerdster van De Beers, een feit dat Survival International ook al toegaf. Op de website van De Beers is zelfs een verklaring te vinden van een internationale organisatie die de Bosjesmannen vertegenwoordigt waarin ze een oproep doen aan Survival International om te stoppen met de negatieve campagne.

Het Canadese Falconbridge liet alvast weten dat het geen plannen heeft om zijn exploratieconcessies in de regio onmiddellijk te gebruiken.

GUATEMALA

In een conflict dat opnieuw de schimmen van 36 jaar burgeroorlog tot leven brengt jaagt het Marlinproject van Glamis Gold de hele inheemse bevolking in het harnas tegen de mijnbouwplannen van de Guatemalteekse regering. De dagbouwmijn (open pit) in het hoogland – hoofdzakelijk door inheemsen bevolkt – is de grootste mijnbouwonderneming sinds het einde van de burgeroorlog in 1996. Een manifestant werd gedood in een confrontatie met de politie bij een wegblokkade in januari. Amnesty International publiceerde een oproep voor “dringende actie” in april nadat antimijnactivisten met doodsbedreigingen overspoeld werden en een bomauto aantoonde dat het menens was.

Het bedrijf zegt dat het duizenden stemmen heeft verworven van mensen die het project goedkeuren. Bovendien benadrukt ze dat ook voorstanders van de mijn reeds bedreigd werden. In september publiceerde de ombudsman van de internationale maatschappij voor het beheer van geldmiddelen – een onderdeel van de Wereldbank dat het Marlinproject helpt financieren – een rapport waarin stond dat het protest ongefundeerd was. In het rapport stond te lezen dat de tegenstanders van het project een agressieve en leugenachtige campagne voerden tegen het project, en dat bovendien de mijn geen enkele bedreiging vormde voor mens en milieu. Maar, het rapport gaf ook toe dat het totaal onduidelijk was of er ooit wel een consultatie georganiseerd was omtrent de toekenning van de vergunning voor exploratie van het gebied.

Achteraf gezien is het wel waar dat de werkelijke consultaties onvoldoende uitgebreid waren, geeft de woordvoerder van Glamis, Joe Danni, toe. Het bedrijf doet nu een poging om met respect voor de juiste afstand tot het project een onafhankelijke milieubewakingseenheid uit te bouwen waarin de bewoners vertrouwen kunnen vinden. Glamis werkt ook aan een formeel beleid met betrekking tot het management van de veiligheidsdiensten.

Glamis stak bijna 120.000 dollar in een lokale hulporganisatie en investeert in ontwikkelingsprojecten van verschillende aard. Economische ontwikkeling en herbebossing van de regio staan bovenaan het lijstje. Marlin startte de productie enkele weken geleden.

HONDURAS

Confrontaties met betrekking tot de mijnbouw in Honduras draaiden bijna uit op een komische situatie toen Gerald Phillips van Greenstone Resources – voormalig manager van Westray – reageerde op het protest tegen de zilvermijn van San Andres. Philips klom op een maaimachine en ramde er een watertank mee waar een van de manifestanten bovenop geklommen was, de man brak hierbij zijn heup.

Na alle ontkenningen dat de manifestant gewond was geraakt verliet Phillips Honduras. Hij vertelde toen aan The National Post dat al die zaken op maat gemaakt werden voor journalisten: “ik ben een openhartig man en ik verdedig inderdaad mijn standpunt, maar ik ben zeker geen driftkikker”.

Phillips werd aangklaagd voor criminele feiten in 1992 na de explosie in de Westray-mijn in Nova Scotia waar 26 mijnwerkers omkwamen. De aanklacht draaide niet op een veroordeling uit, maar het openbaar onderzoek wees uit dat hij gefaald had in de uitbouw van veiligheid voor de werknemers.

Volgens waarnemers is de broeihaard van potentiële bloedbaden gelinkt aan Canadese mijnen in nog heel wat andere landen aanwezig. Diana Bronson van de door het parlement opgerichte controlecommissie, Rights and Democracy, zegt dat de werkgroep geloofwaardige informatie ontving over mensenrechtenschendingen gelinkt aan ontelbare projecten waar Canadese bedrijven bij betrokken zijn.

Milieu- en mensenrechtenorganisatie MiningWatch uit Ottawa spreekt over identieke ervaringen. Toen MiningWatch in 1999 voor het eerst van start ging werden we overdonderd met vragen voor hulp en steun van allerlei groepen over de hele wereld, zegt Catherine Coumans. Als gevolg van de internationale protestkreet heeft de federale regering de moeite gedaan om de Canadese mijnbedrijven in detail te bestuderen. Volgens Navdeep Singh Bains is het absoluut een openbaring als je iets over het gedrag van sommige Canadese mijnbedrijven hoort. Navdeep is voorzitter van de Openbare Subcommissie voor Mensenrechten en Internationale Ontwikkeling. De subcommissie bestudeerde enkele maanden het gedrag van Canadese mijnbouwbedrijven in het buitenland. Er zijn zeker redenen om zich zorgen te maken over milieu- en mensenrechten meent Navdeep.

In het rapport dat werd overgemaakt aan Buitenlandse Zaken in juni erkent de commissie dat heel wat Canadese mijnbouwbedrijven vrijwillig een etische code naleven, terwijl anderen er niet in slagen om dergelijke netelige kwesties toe te schrijven aan de impact van hun projecten op de leefomgeving en op sociaal vlak.

De dringende vraag voor de wettelijke versterking van gezamelijke sociale verantwoordelijkheid heeft de regering ertoe gedwongen om de mijnbouwbedrijven van dichtbij te monitoren en het aantal aansporingen voor het opnemen van verantwoordelijkheden op vlak van de leefomgeving en sociale problematiek op te voeren.

Pierre Gratton van de Mijnbouwvereniging is het eens over het feit dat enkele voorvallen veroorzaakt werden door bedrijven die de standaardnormen volgens de verwachtingen van de Canadezen niet naleefden en uitvoerden. Maar in andere gevallen is het zo dat de bedrijven gevangen werden in lokale of nationale conflicten, of gewoonweg gebrek hadden aan de nodige ervaring om af te rekenen met moeilijke lokale omstandigheden, voegt hij er aan toe.

In feite is elk bedrijf dat activiteiten heeft in conflictzones onvermijdelijk betrokken in het bloedvergieten aldus Madelaine Drohan, jouranliste uit Ottawa. Zij publiceerde in 2003 het boek “Making a Killing: How and why corporations use armed force to do business”. Eemaal aanwezig in een conflictgebied moeten zij hun belastingen en de aandelen in de winst toch aan iemand betalen. Daardoor kiezen ze sowieso partij waardoor ze betrokken groepen in het conflict automatisch tegen elkaar opzetten, zegt Drohan. Zie www.madelainedrohan.com <http://www.madelainedrohan.com/> .

“Bedrijven zullen zeggen, ‘wij zijn absoluut neutraal’. Wel ze zijn het absoluut niet. Ze zijn heel zichtbaar aanwezig in een conflictzone en dat maakt hen ook deel van het conflict” Drohan haalt het voorbeeld aan van het Talismanproject in Soedan. Financiële petroleumaandelen gingen recht naar het budget van een regime dat verwikkeld is in een bloedige burgeroorlog.

Canadese mijnbouwbedrijven beginnen stillaan hun betrokkenheid in politiek en sociaal onstabiele landen te herzien: in sommige gevallen zijn de risico’s te groot, “het doet er niet toe hoe hoog de geologische kwaliteit is”, aldus Gratton. Maar een blik op de lijsten van de Toronto Stock Exchange geeft al snel aan dat met Canada gelinkte bedrijven nog steeds aan het voorfront te vinden zijn voor wat betreft mijnbouw in de meest conflictieve delen van de wereld. Vorig jaar waren volgens een recent rapport van GRAMA – een onderzoeksteam aan de Universiteit van Quebec dat zich bezighoudt met mijnbouwthema’s – nog 8 bedrijven operatief in Angola, 14 in Congo, 12 in Sierra Leone, 18 in Zimbabwe.

Zelfs wanneer bedrijven niet actief zijn in oorlogsgebied kunnen ze nog zonder het te weten bij sociale conflicten betrokken zijn, conflicten waar ze slecht op voorbereid zijn, aldus de waarnemers. Volgens Bronson van ‘Rights and Democracy’ hebben mijnbedrijven in de meeste gevallen niet de intentie om bewust mensenrechtenschendingen te plegen. In feite weten ze zelfs nog niet eens wat mensenrechten zijn, of wat op dat gebied hun verplichtingen zijn.

Bedrijven raken vaak betrokken in een venijnige strijd tussen voor- en tegenstanders van mijnbouw. Brutale regeringen winden hen rond hun vinger en willen dat ze zich bij hen aansluiten. Mijnbouw op grote schaal betekent voor hen miljoenen inkomsten. Daardoor richten ze zich tegen lokale groepen of gemeenschappen die weigeren om hun middelen van bestaan - families die zich bezighouden met kleinschalige land- of mijnbouw - op de concessiegronden te verlaten. De ontruiming van die gronden kan soms hallucinante vormen aannemen: in Tarkwa, een gebied in Ghana rijk aan goud, werden zo’n 30.000 mensen gedwongen verhuisd omwille van grootschalige mijnbouwprojecten door Canadese en andere buitenlandse bedrijven, aldus het rapport van GRAMA.

Volgens Thomas Akabzaa, een professor in mineraaleconomie aan de universiteit van Ghana, wordt de Bogoso-goudmijn in Ghana, een concessie van een Canadees bedrijf, nog steeds door 12.000 tegenstanders bezet.

“Het is niet steeds de bedrijven hun fout”, zegt Madelaine Drohan. “Mijnbouwbedrijven kopen een concessie ter goeder trouw en komen dan tot de conclusie dat er in het gebied duizenden mensen manueel en kleinschalig aan mijbouw doen ... . De bedrijven gaan dan ook niet ter plaatse met de bedoeling ‘laten we hier eerst eens al die mensen uit de weg ruimen’. Ze vragen anderen om dat te doen. En dan komen brutale huurlingen of regeringstroepen in actie om het gebied te ontruimen”

Andre Lamay van DFAIT beweert dat het niet de schuld is van de bedrijven als de nationale regering de lokale oppositie platwalst om een project te laten voorruitgaan. Op dat moment wordt het altijd link voor een bedrijf: Is het dan een Canadees probleem ? Is het een mijnbouwprobleem ? Is het een probleem met de lokale besturen ?

Nonsens, zegt Simon Handelsman, een mijningenieur met 30 jaar ervaring op het terrein. Hij doctoreert momenteel aan de School voor Mijnbouw in British Columbia. Zijn doctoraat handelt over de gezamelijke verantwoordelijkheid om de sociale problematiek rond een mijnbouwproject aan te pakken. De bedrijven hebben daadwerkelijk de morele verantwoordelijkheid rond de sociale problematiek, meent hij. Veel van die landen hebben zeer zwakke en corrupte regeringen met wankele normen en zonder wettelijk kader. Bedrijven kunnen niet vertrouwen op de regering om hen het leven eenvoudig te maken, aldus Handelsman die 10 jaar dienst deed op meer dan 100 locaties als VN-adviseur voor mijnbouw in ontwikkelingslanden.

Hij wijst erop dat bedrijven niet afwijzend staan tegenover politieke thema’s als ze tot hun belangen behoren: “het item taxen bijvoorbeeld, dat behoort tot hun interesse, maar sociale obstakels dat is hun probleem niet. En dat zijn zaken die onvaanvaardbaar zijn”.

Hij aanvaardt ook de argumenten niet die bedrijven zouden vrijpleiten voor acties van buitenlandse paramilitairen of regeringstroepen. “Folterpraktijken en het ineenrammen van mensen zijn standaardpraktijken in veel van die landen. En dat weten mijnbouwbedrijven maar al te goed”, aldus Handelsman.

Bedrijven hebben de verantwoordelijkheid om hun veiligheidskorpsen te keuren en op te leiden met betrekking tot respect voor mensenrechten, voegt hij er aan toe. “Wanneer een onderneming beslist om zaken te gaan doen in een land met een beruchte historiek van mensenrechtenschendingen, dan zouden ze zich moeten behoeden voor de aangeboden veiligheidsdiensten”.

Hoewel Canada ’s werelds machtshuis is op het vlak van mijnbouw, blijft het verdacht afstand houden van de  Amerikaans-Britse Vrijwillige Basisprincipes voor Veiligheid en Mensenrechten. Dat akkoord zet een aantal gedragsregels uit voor het inzetten van veiligheidstroepen bij mineraalextractieve industrieën. Dat akkoord werd zelfs door de pluimgewichten van de sector zoals Noorwegen en Nederland ondertekent. Madelaine Drohan voegt er nog aan toe dat de VN in 1989 reeds een conventie goedkeurde tegen de financiering en het gebruik van huurlingen, maar Canada heeft ze nooit ondertekent.

Als wereldleider in de mijnindustrie wordt het hoogtijd dat Canada ook de leiding neemt in de aanpak van de problemen, zegt Ed Broadbent, die lid was van de openbare subcommissie. Hij diende eerder dit jaar een voorstel in om Canadese mijnbedrijven aansprakelijk te maken voor gezondheids- en veiligheidsdelicten ten aanzien van hun werknemers in overzese landen.  “We moeten onze bedrijven aan het verstand brengen dat ze in het buitenland niet kunnen doen wat ze thuis niet mogen. Het is een reusachtig aantal Canadese bedrijven met hoge sociale verantwoordelijkheidsnormen die dergelijke wetgeving zullen verwelkomen en bovendien zou dat het speelveld nivelleren”, voegt Broadbent er nog aan toe.

Pierre Gratton reageert hierop dat de OECD reeds een klachtensysteem heeft voor multinationals, en dat de grote verscheidenheid aan internationale vrijwillige ethische codes ook beschikbaar zijn. Het is spijtig te moeten zeggen dat vrijwillige initiatieven niet voldoende efficiënt zijn, de voorbeelden zijn hiervan wijdverspreid. De beste oplossing voor Canada is de  legalisering ervan, aldus Gratton.

Hoewel, die maatregel is dan wel noodzakelijk op alle niveau’s en voor alle sectoren, want als een bedrijf faalt in het naleven en hooghouden van de normen voor mensenrechten dan kunnen de gevolgen verder reiken dan alleen maar schade aan een individueel bedrijf, het kan de reputatie van een volledige industriesector schaden.

Bovendien kan het ook schade toebrengen aan de reputatie van Canada meent Carlos Zorrilla. In zijn land, Ecuador, heeft die reputatie reeds zware klappen gekregen door het feit dat tegenstanders van een Canadees mijnbouwproject een aanklacht indienen doordat ze bedreigd werden met vuurwapens door supporters van de onderneming. “Zelfs indien de Canadezen zich niet inlaten met het opknappen van vuile klussen, weet iedereen dat er een Canadees bedrijf achter de feiten zit, aldus Zorrilla. “Achter al die dreigingen schuilt nog de vraag: door wie wordt het allemaal betaald ?”

Origineel: OPEN VEINS: CONFLICTS ERUPTING AROUND THE WORLD OVER CANADIAN MINES
Kelly Patterson, The Ottawa Citizen, 1 October 2005
Een vertaling van Dirk Govaert

Het Vlaams Guatemalacomité zamelt nog steeds financiële hulp in voor de heropbouw van de door tropische stormen getroffen gemeenschappen in Guatemala. Dit via het Rekeningnummer van Oxfam-Solidariteit:
000-0000028-28 met vermelding 9080-Guatemala

Deel dit artikel