Europa zet nieuwe stap verantwoord ondernemen: goed maar het kan beter

Een 'volkskaravaan' in Ecuador tegen de oliewinning in natuurdomein Yasuni

Al tientallen jaren wordt debat gevoerd over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven en hoe staten ervoor kunnen zorgen dat bedrijven ook effectief die verantwoordelijkheid opnemen. Een nieuwe Europese richtlijn spoort bedrijven aan nog meer maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Dat is goed ... maar het kan nog beter, vindt Koen Warmenbol van 11.11.11.

Bedrijven zijn natuurlijk onderworpen aan de wetten van de landen waar ze actief zijn. Die wetgeving - in het bijzonder op het vlak van milieunormen - is aanzienlijk aangescherpt, alsook het toezicht op de naleving van deze normen. Dit voor zover het landen betreft met een degelijke bestuurscapaciteit, dus overwegend de geïndustrialiseerde landen. In ontwikkelingslanden en middeninkomenslanden is dit veel minder het geval. Daarnaast hanteren multinationale ondernemingen vaak dubbele standaards: één voor ontwikkelde landen, en een andere voor ontwikkelingslanden of die landen waar wetgeving of toezichtsinstanties in gebreke blijven.

Om de multinationals aan te zetten meer verantwoordelijkheid op te nemen bij het inperken van risico's op het vlak van milieuschade en mensenrechtenschendingen, in het bijzonder in landen met gebrekkige wetgeving of falend toezicht vanuit de overheid, werden wereldwijd reeds een hele reeks initiatieven ondernomen. Maar die initiatieven bleken steeds te stoten op een aantal beperkingen.

Regels moeten verder gaan

Tijdens een hoorzitting in het Europees parlement in mei vorig jaar werden alle belangrijke tekortkomingen van de bestaande situatie op een rijtje gezet. Op de bijeenkomst waren vertegenwoordigers aanwezig van een hele reeks belangengroepen, zoals het ook hoort te zijn op een parlementaire hoorzitting.

De meerderheid van de aanwezigen was het erover eens dat de nieuwe regelgeving een stuk verder zou mogen gaan dan het voorstel dat op tafel lag. Er werd benadrukt dat er nood was aan meer sturing vanuit de Europese Commissie over hoe de bedrijven zouden moeten rapporteren, zoals het gebruik van eenzelfde referentiekader en precieze indicatoren. Dit is essentieel om een 'level playing field' te creëren voor maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Ook werd aangehaald dat het belangrijk is dat bedrijven verslag uitbrengen over de risico's en de genomen beleidsmaatregelen met betrekking tot de toeleveringsketens, juist omdat de meeste schendingen van de arbeidsrechten en overtredingen van milieuwetgeving zich voordoen op het niveau van de toeleveringsbedrijven.

Onenigheid

De verwachtingen onder de verschillende Europese lidstaten over de nieuwe richtlijn lagen echter sterk uit elkaar. Landen als Frankrijk en Denemarken die reeds beschikten over een nationale wetgeving aangaande duurzaamheidsrapportering door bedrijven waren logischerwijze sterke pleitbezorgers voor een algemene Europese rapporteringverplichting voor bedrijven over niet-financiële aspecten.

Groot-Brittannië en enkele Oost-Europese landen wilden al helemaal geen verplichting op dit vlak voor bedrijven met het argument dat dit een concurrentienadeel zou kunnen bezorgen voor Europese bedrijven. En Duitslands standpunt bevond zich hier tussenin: flexibiliteit en niet te hoge eisen.

Compromis

Het ontwerp dat op 15 april tijdens een plenaire zitting van het Europees parlement werd goedgekeurd is het compromisvoorstel dat in januari bereikt werd tussen het JURI-Comité van het parlement (het Comité voor Juridische Zaken) en de Europese Raad.

Europese ondernemingen die meer dan 500 mensen tewerkstellen zullen jaarlijks moeten rapporteren over de risico's van hun activiteiten op het vlak van milieu, mensenrechten, arbeidsomstandigheden en corruptie. Ze zullen moeten aangeven welke specifieke maatregelen genomen worden om deze risico's in te dijken en welke resultaten dit heeft opgeleverd.

De Europese lidstaten zullen beleidsinstanties moeten aanwijzen belast met de monitoring van deze rapporten.

Hiermee wordt dus een belangrijke stap gezet naar de inkadering van de activiteiten van Europese bedrijven binnen de bestaande internationale richtlijnen. Bedrijven zullen de naleving van deze richtlijnen ook moeten aftoetsen bij hun toeleveranciers. Dat is een zeer belangrijk aspect want het is dikwijls bij de toeleveringsbedrijven dat zich de meeste schendingen voordoen van internationale normen op het vlak van arbeidsomstandigheden en milieu.

Goed... maar het kan nog beter


Tijdens de onderhandelingen om tot een compromis te komen tussen het Europese parlement en de lidstaten, zijn enkele belangrijke aspecten voor een doeltreffende richtlijn gesneuveld:

  • Niet alle grote bedrijven zijn gebonden aan de rapporteringsverplichting; enkel beursgenoteerde bedrijven en daarnaast ook ondernemingen met een publiek karakter zoals banken en verzekeringsbedrijven. Dit zijn minder dan de helft van alle grote bedrijven.
     
  • De bedrijven mogen zelf het kader kiezen dat ze zullen hanteren voor de uitwerking van hun duurzaamheidsrapport. Met als gevolg dat rapporten verschillende standaards, indicatoren en deelthema's zullen gebruiken en de versterkte informatie dus moeilijk vergelijkbaar zal zijn.

    Geüniformiseerde standaards en indicatoren waren nochtans een belangrijke eis van niet alleen het parlement maar ook van investeerders en consumenten. Er wordt wel aan de Europese Commissie gevraagd zulk een uniform rapporteringskader te ontwerpen binnen de 18 maanden. Maar de ondernemingen kunnen dan nog steeds zelf bepalen of ze dit referentiekader al dan niet zullen gebruiken.

    Wel zouden er op het terrein van de gebruiksefficiëntie van energie en water indicatoren ontworpen worden - de zogenaamde Key Performance Indicators - die iedereen zal moeten gebruiken.

    Eigenlijk komt deze richtlijn dus niet tegemoet aan de belangrijkste kritiek op de bestaande duurzaamheidsrapporten die op vrijwillige basis worden uitgebracht worden, namelijk dat de informatie niet af te toetsen is aan duidelijke, ondubbelzinnige criteria.
     
  • Het niet-financiële rapport moet niet geïntegreerd worden in het financieel jaarrapport. Dit betekent dat de juistheid van de informatie niet moet gecontroleerd worden door een bedrijfsrevisor en dat het niet-financiële rapport ook niet goedgekeurd moet worden door de raad van bestuur van het bedrijf. De bedrijfsleiding kan dus niet ter verantwoording geroepen worden voor eventuele misleidende of foutieve gegevens.
     
  • Aansluitend bij het vorige aspect worden ook geen sancties voorzien voor eventuele niet-naleving van de richtlijn. De opvolging door de bevoegde instanties van de lidstaten is dus louter een formaliteit en zal weinig invloed hebben op de concrete inhoud van de duurzaamheidsrapporten.

De nieuwe richtlijn voorziet wel in de mogelijkheid om deze na 4 jaar te herzien. Dit biedt de mogelijkheid om de wetgeving bij te stellen rond die aspecten die hun doel missen, en die eigenlijk nu al grotendeels gekend zijn.



Koen Warmenbol,  11.11.11- Beleidsmedewerker duurzame ontwikkeling en natuurlijke rijkdommen


Meer info:


 



Deel dit artikel