Belgische ontwikkelingssamenwerking eindelijk naar 21ste eeuw?

Deze opinie verscheen maandag 7 mei op  'De redactie'.



vrouw metrijst[foto: Marc Goldchstein]

De laatste tien jaar debatteert de ontwikkelingswereld voortdurend over de effectiviteit van de besteding van ontwikkelingsgeld. Een debat dat al te vaak wordt verengd tot het efficiënter versluizen van geld. Alsof ontwikkelingssamenwerking enkel afhangt van een managementoefening. Alsof er op die manier aan de andere kant van de wereld vanzelf ontwikkeling volgt.



Vandaag vinden in het Brusselse Egmontpaleis de Staten Generaal voor Ontwikkelingssamenwerking plaats. Minister van ontwikkelingssamenwerking Paul Magnette nodigt hierbij de sector uit zich te buigen over waar het wel om gaat: hoe kunnen handel, financiën, landbouw, klimaat, migratie, etc. bijdragen aan armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling in het Zuiden. Beleidscoherentie voor ontwikkeling heet dat, en dat is dan ook de titel van de bijeenkomst.

Wij bij 11.11.11 hameren al langer op het belang van zo'n samenhangend ontwikkelingsbeleid en we doen dat niet alleen. In alle doorlichtingen die wij de laatste jaren maakten van het Belgisch ontwikkelingsbeleid, kreeg dit onderdeel een onvoldoende. Een internationale instelling als de OESO noemde dit voor België hét pijnpunt in haar laatste evaluatie.


Het gaat niet om geld alleen

Natuurlijk is efficiënt en effectief omspringen met hulpgelden belangrijk. Versta mij niet verkeerd. Maar in de feiten wordt deze discussie  van langsom minder relevant. De officiële hulp aan ontwikkelingslanden bedraagt vandaag slechts een fractie van de totale financiële stromen naar het Zuiden.

In 1970 was de hulp nog goed voor 70% van het totaal, vandaag is dat slechts 13%. Dat betekent dat het ontwikkelingsbeleid simpelweg minder impact heeft op de ontwikkelingskansen van het Zuiden dan vroeger. Vandaar het belang om ook en vooral aandacht te besteden aan andere terreinen.

Van onze partners in het Zuiden krijgen we vaak te horen dat onze inspanningen om kleine boerenorganisaties te steunen in hun productie geen enkele zin hebben wanneer we tegelijkertijd toestaan dat onze voedseloverschotten op de Afrikaanse markten worden gedumpt. Diezelfde partners begrijpen niet dat we zo sterk inzetten op waardig werk, terwijl onze handelsakkoorden miljoenen mensen in de werkloosheid dwingen.

Afgelopen weekend gingen een aantal van onze lidorganisaties in debat over de samenwerking met de partners in de Sahel regio. Ook zij vinden het vreemd om middelen in te zamelen voor projecten die toegang tot zuiver drinkwater in de Sahel verhogen, terwijl we niets doen aan de vermindering van de broeikasgassen die verantwoordelijk zijn voor de waterschaarste. Laat het duidelijk zijn: zelfs de meest effectief verleende hulp verdwijnt in het niets bij zulke incoherenties op andere beleidsterreinen. Eenvoudig gesteld: wat we met de ene hand geven, wordt met de andere hand teniet gedaan of erger gemaakt.

Jaar op jaar zeggen we dat ook in onze campagnes. Het gaat over waardig werk, over betere handelsrelaties, over een beter klimaatakkoord. Logisch, want ontwikkeling van heel wat landen wordt steeds meer belemmerd door beslissingen in andere beleidsdomeinen. Wie nog een relevante rol wil spelen in en met het Zuiden moet zich hierop organiseren. De voorbije ministers hebben dit steeds laten liggen, waardoor de Belgische ontwikkelingssamenwerking op dit gebied achterop hinkt.


Elke minister is minister van ontwikkelingssamenwerking

Eigenlijk is de oplossing hiervoor eenvoudig: alle ministers in de regering moeten ook een beetje minister van ontwikkelingssamenwerking zijn. Niet alleen wanneer ze louter 'Belgische' beslissingen nemen, maar ook wanneer ze standpunt innemen in Europa of in de wereld.

Als Belgisch vertegenwoordiger in het Internationaal Muntfonds kan Steven Vanackere (CD&V) schulden kwijtschelden die de ontwikkeling van vele landen verhinderen.

Als minister van Buitenlandse en Europese zaken kan Didier Reynders zorgen voor een investeringsakkoord met Mozambique of Vietnam dat de toegang tot waardig werk verhoogt in plaats van vernietigt.

Johan Vandelanotte kan als minister van economie zorgen dat mijnbedrijven transparant rapporteren over hun contracten in ontwikkelingslanden. Om zo de leegroof door corrupte regimes te verhinderen.

Sabine Laruelle, verantwoordelijk voor landbouw, kan zorgen voor een vernieuwd Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid dat een einde maakt aan de exportsubsidies. Die verhinderen dat Afrikaanse boeren hun producten op hun eigen markten kunnen verkopen.

Als staatssecretaris voor energie en leefmilieu kan Melchior Wathelet de zogenaamde 'bijmengplicht' herbekijken. Die bepaalt dat producenten van benzine en diesel in België verplicht biobrandstof moeten toevoegen, afkomstig van palmolieplantages in Indonesië of Maleisië. De teelt van dergelijke energiegewassen is vaak helemaal niet duurzaam en gaat gepaard met landconflicten, slechte arbeidsomstandigheden en grootschalige kap van het regenwoud.


... en Di Rupo nog het meest

De verantwoordelijkheid voor een beleid dat de duurzame ontwikkeling in het Zuiden versterkt en armoede bestrijdt, ligt in andere woorden bij de voltallige regering.

Om alle ministers waarvan de bevoegdheden een impact hebben in de ontwikkelingslanden op één lijn voor ontwikkeling te krijgen, is een engagement op het hoogste politieke niveau dus absoluut noodzakelijk.

Het is van vitaal belang dat 'ontwikkelingscoherentie' niet alleen afhangt van de goodwill van de partijen die toevallig aan zet zijn, maar een verplichting wordt voor elke regering, vandaag en morgen.

Om dit te garanderen moet er een wettelijk kader én een werkend mechanisme komen. Zodat 'ja we gaan dat doen' ook eindelijk 'ja we doen dat' kan worden. Laat het aan het Parlement om dit te controleren en het middenveld om dit op te volgen.

Tegelijk moet er ook meer duidelijkheid komen over de standpunten die onze regeringsleden innemen op internationale fora. Te vaak horen we hier enkel de succesverhalen klinken. Terwijl ondertussen, onzichtbaar en oncontroleerbaar, beslissingen genomen worden met een enorme impact in ontwikkelingslanden.

Is dit te veel gevraagd? Wij denken van niet. De afgelopen twintig à dertig jaar hebben we steeds meer zicht op wat onze parlementen en regering doen. We verwachten ? terecht ? transparantie over de manier waarop ons geld besteed wordt. We begrijpen ook, onder meer dankzij de media, steeds beter hoe het ene beleid invloed heeft op het andere.

Het wordt tijd dat dit ook gebeurt wanneer de ontwikkelingskansen in het Zuiden op het spel staan. Zal ik het anders zeggen: zolang we doen alsof ontwikkelingssamenwerking enkel gaat over hulpstromen draaien we onszelf een rad voor ogen. Dat is bovendien een mening uit vervlogen tijden. Laten we dat veranderen en de 21ste eeuw instappen.

Bogdan Vanden Berghe, algemeen directeur 11.11.11



Deel dit artikel