De Europese ontwikkelingssamenwerking

Welk budget voor de Europese Unie? Een kijk op de voorstellen voor de Europese meerjarenfinanciering (2014-2020)

"De Europese Unie (EU) heeft een klein budget, maar dat heeft een grote impact op het leven van elke Europeaan. Het voorstel voor een nieuw Meerjarig Financieel Kader voor de periode 2014-2020 voorziet in 1025 miljard euro verbintenissen (1,05% van het Bruto Europees Inkomen) en 972,2 miljard euro betalingen (of 1% van het Bruto Europees Inkomen). Met het plan wil de Unie vooral investeren in domeinen waar ze een toegevoegde waarde kan bieden en kan antwoorden op de maatschappelijke uitdagingen waar Europa de komende jaren voor staat. ", aldus een persbericht van de Vertegenwoordiging van de Europese Commissie in België.

Historiek

Sinds 1988 worden binnen de EU inter-institutionele akkoorden gesloten in het kader van de financiering. Omdat onderhandelingen voor de jaarlijkse begroting echter zoveel tijd in beslag namen, besloot men vanaf 1988 te werken met een meerjarenfinanciering. Dit houdt in dat er minimum om de vijf jaar moet onderhandeld worden over de te besteden budgetten. Aan de meerjarenfinanciering wordt wel steeds een jaarlijkse begroting gekoppeld.

Hoe verloopt de begrotingsprocedure?

Met inter-institutionele akkoorden bedoelen we dat alle Europese instellingen betrokken zijn bij de opmaak van de meerjarenfinanciering. De Europese Commissie (EC) maakt een voorstel tot meerjarenfinanciering op en geeft dit door aan het Europees Parlement (EP) en de Raad van Ministers (Raad). Zowel het EP als de Raad bespreken het voorstel van de EC en geven hun aanbevelingen en opmerkingen. Er wordt hierover onderling overlegd en gediscussieerd aangezien men streeft naar een consensusdocument.
De EC heeft haar voorstel voor de nieuwe meerjarenfinanciering van de EU gelanceerd op 29 juni 2011 en in het najaar de uitvoeringsinstrumenten. Het EP en de Raad zullen gedurende 2012-2013 over het voorstel discussiëren en de verschillende onderdelen van het voorstel onderzoeken.

Wat ligt er op tafel?


De Commissie geeft in haar voorstel voor het budget 'Buitenlands beleid' ook de algemene doelstellingen van het buitenlands beleid weer. Ze wijst onder meer op het belang van het promoten van de Europese waarden zoals mensenrechten en democratie. Verder legt ze de nadruk op het verhogen van de impact van ontwikkelingssamenwerking voor het bestrijden van armoede, de rol die de EU moet spelen in 'global challenges' zoals de klimaatverandering en de aandacht voor het vermijden van crisissen en snelle solidariteit bij natuur- en humane rampen.

De EC koos ervoor om de focus te leggen op vier brede beleidsprioriteiten met aan elke prioriteit een apart financieringsinstrument gekoppeld. Zo is er het 'Instrument for Pre-accession Assistance (IPA)' als ondersteuning van het uitbreidingsbeleid, het 'European Neighbourhood Instrument (ENI)' voor het nabuurschapsbeleid, het 'Partnership Instrument (PI) voor het promoten van de EU en haar Europa 2020 strategie en het 'Development Cooperation Instrument (DCI) dat focust op het bestrijden van armoede. Daarnaast is er ook een intergouvernementeel fonds, het EDF (European Development Fund), dat buiten de meerjarenfinanciering valt.

Het ontwikkelingsinstrument
Het ontwikkelingsinstrument (DCI) heeft als belangrijkste doelstelling het terugdringen van armoede. Maar, zo stelt de EC in haar communicatie, 'het zal ook bijdragen aan het behalen van andere doestellingen van het Europese extern beleid, in het bijzonder creëren van duurzame economische, ecologische en sociale ontwikkeling en promoten van democratie, rechtsstaat, good governance en respect voor mensenrechten'. Het DCI zal opgebouwd worden rond enerzijds geografische en anderzijds thematische programma's. De eerste worden gebruikt voor het ondersteunen van bilaterale en regionale samenwerking met ontwikkelingslanden die geen gebruik kunnen maken van andere fondsen van de EU. De tweede bestaat uit drie programma's. Eén voor mondiale publieke goederen en uitdagingen, één voor ondersteuning van civiele maatschappij en lokale autoriteiten en één voor uitvoering van het Afrika-EU Strategisch partnerschapsakkoord.

De EC maakt ook gebruik van een nieuw principe, nl. differentiëring. Dit houdt in dat de EU wil focussen op die gebieden waar ze de grootste impact kan hebben en waar de nood het hoogst is. Landen die –volgens de door de EU instellingen vastgelegde normen- in staat moeten zijn armoede zelf aan te pakken, verliezen het recht op deze bilaterale steun en moeten via andere regelingen een partnerschap met de EU sluiten. Dit komt er concreet op neer dat verschillende hoge Midden-Inkomenslanden (MIL) het recht op bilaterale ontwikkelingssteun verliezen.

Het Europees ontwikkelingsfonds
Daarnaast is er ook het intergouvernementeel EDF, of voluit European Development Fund. Dit fonds is opgericht om de afspraken gemaakt in het Cotonou Partnerschapsakkoord (en voordien de akkoorden van Lomé en Yaoundé) uit te voeren. Het zorgt er dus voor dat de EU zijn verplichtingen ten opzichte van de ACS-landen (landen in Afrika, Caraïben en Stille Oceaan) kan uitvoeren. Tot op heden wordt het fonds niet opgenomen in de globale meerjarenbegroting en de onderhandelingen hierrond worden dan ook afzonderlijk maar parallel gevoerd. De EC geeft in haar voorstel voor het 11e EDF aan dat zij geen grote veranderingen voorstelt ten opzichte van het 10e EDF. Toch ligt ook differentiëring binnen dit instrument op tafel.

Bezorgdheden 11.11.11

11.11.11 heeft, samen met de andere organisaties in CONCORD, de verschillende documenten van de EC doorgenomen en heeft hierbij nog enkele bezorgdheden.
Voor het DCI is het belangrijk dat de uitgaven binnen het budget die niet voor specifieke ontwikkelingsdoelstellingen gebruikt worden tot een minimum beperkt blijven. De EC moet ook duidelijk specifiëren wat ze bedoelt met het 'bijdragen aan het behalen van andere doelstellingen van het Europese extern beleid'. Verder moet ook de rol van de civiele maatschappij duidelijk omschreven worden en mogen we de landen uit Latijns Amerika, het Midden Oosten en Azië niet uit het oog verliezen. Wat het differentiëringsprincipe betreft, wijst 11.11.11 erop dat de EU een verantwoordelijkheid heeft ten opzichte van de armen waar ook ter wereld, en niet enkel de armen in de 'arme landen'. Er zijn in de landen die door dit principe het recht op ontwikkelingssteun verliezen miljoenen armen die nu in de kou blijven staan.

Het grootste aandachtspunt voor het EDF is dat het gebaseerd wordt op de waarden en essentiële elementen van het Cotonou Partnerschapsakkoord dat de relaties met de ACS landen stroomlijnt tot 2020. Verder is het nodig dat de EU de politieke dialoog met partnerlanden verder zet en verder uitbouwt en hierbij de civiele maatschappij betrekt als een belangrijke partner. Er moet door de EC ook een jaarlijkse evaluatie en rapportering voorzien worden zodat het Europese Parlement de implementatie van de verschillende instrumenten kan opvolgen.

Voor meer informatie, neem contact op met Wiske Jult, beleidsmedewerker Europees Ontwikkelingsbeleid.

 

 

Deel dit artikel