Een akkoord voor vrede in Oost-Congo: één jaar later


congo opvlucht

[Foto: Op de vlucht voor het geweld in Oost-Congo 2012 - UN foto]



Exact een jaar geleden, op 24 februari 2013, ondertekenden elf Afrikaanse landen in Addis Abeba het Kaderakkoord voor vrede, veiligheid en samenwerking voor de Democratische Republiek Congo en de regio. 





Het akkoord moest bijdragen tot de terugkeer van vrede in Oost-Congo. Congo verbond zich ertoe interne hervormingen door te voeren, terwijl de andere ondertekenende landen, waaronder Rwanda en Oeganda, beloofden de soevereiniteit van Congo te respecteren, onder meer door te stoppen met het steunen van rebellengroepen. De internationale gemeenschap engageerde zich van haar kant onder meer om de VN-vredesmissie (Monusco) te versterken. 
 

 

Een jaar later, waar staan we?


De rebellengroep M23 is dan wel officieel op de knieën gedwongen, mede dankzij positieve evoluties binnen het Congolese leger en de interventiebrigade van Monusco, maar verschillende andere Congolese en buitenlandse rebellengroepen blijven zich roeren in Oost-Congo.

De betrokkenheid van de buurlanden is dan wel sterk verminderd, maar van een positieve bijdrage aan vrede in DR Congo is nog geen sprake. Volgens een recent rapport van de VN expertengroep zouden M23-rebellen vrij rondlopen in Oeganda en blijven rekruteren in Rwanda, hetgeen door die landen ontkend wordt.

Ook op vlak van interne hervormingen in Congo is de vooruitgang te beperkt. Een grondige hervorming van de veiligheidssector blijft achterwege, de staatsautoriteit blijft afwezig in belangrijke delen van het land en van effectieve decentralisatie is er nog geen sprake.

De pogingen om de bewegingsvrijheid van oppositiefiguren en mensenrechtenactivisten te beperken toont ook dat 'verzoening, tolerantie en democratisering' nog niet gegarandeerd zijn.

Sinds de militaire nederlaag van M23, hebben in Oost-Congo duizenden leden van uiteenlopende gewapende groepen de wapens neergelegd en te kennen gegeven zich in de maatschappij te willen re-integreren.

Hoewel er eind 2013 eindelijk een nieuw nationaal plan voor demobilisatie, ontwapening en re-integratie (DDR) van voormalige strijdkrachten werd aangenomen, heeft dit tot op heden nog geen concrete resultaten opgeleverd. Een deel van de aangemelde rebellen zouden intussen opnieuw de wapens opgenomen hebben, omdat de faciliteiten ongepast zijn en er van re-integratiesteun vooralsnog geen sprake is. Vanuit het perspectief van de bescherming van de burgerbevolking is dit een gemiste kans.
 

 

Welke rol voor België?


België is een van de partners vermeld in het Kaderakkoord. Minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders heeft meermaals zijn politieke steun uitgesproken aan het akkoord en aan de speciale gezant van de VN, Mary Robinson. Minister van ontwikkelingssamenwerking Jean-Pascal Labille toont ook zijn engagement voor de regio, door een reconstructieplan voor de Kivu-provincies te lanceren en een nieuw Indicatief Samenwerkingsprogramma (ISP) te onderhandelen met DR Congo. Minister van Defensie Pieter De Crem zet de opleiding van legerbataljons voor de Congolese interventiemacht verder.

Die inspanningen van de Belgische regering mogen echter niet losgekoppeld worden van de beperkte vooruitgang in de uitvoering van het kaderakkoord. België moet kan niet zomaar aan militaire en ontwikkelingssamenwerking doen in DR Congo zonder de institutionele en politieke beperkingen in het land te erkennen en hierop te werken. Er is geen ontwikkeling mogelijk zonder veiligheid of goed bestuur.


Cruciaal


Daarom is het voor de Vlaamse Noord-Zuidbeweging 11.11.11 cruciaal dat ons land ijvert voor de implementatie van de hervormingen die vervat liggen in het Kaderakkoord, en de snelle en effectieve implementatie van het nationaal DDR-plan ondersteunt.

11.11.11 vraagt aan minister Labille om in het volgend ISP (2014-2015) voldoende financiële steun voor programma's inzake goed bestuur en interne hervormingen op te nemen en het Congolese middenveld te ondersteunen.


11.be:


 

Deel dit artikel