Europese donoren lopen elkaar voor de voeten

Arme landen als Cambodja, Mozambique en Peru krijgen ontwikkelingshulp van een twintigtal Europese landen en regio's. Al die donoren hanteren eigen criteria en controlesystemen, wat de efficiëntie van de hulp omlaag haalt en de administratieve kosten opdrijft. De auteurs van een nog niet gepubliceerde Britse studie dringen aan op werkverdeling.


Het Britse Overseas Development Institute (ODI) onderzocht de Europese hulp aan Cambodja, Mozambique en Peru. Die landen krijgen stuk voor stuk hulp van de Europese Commissie, van vijftien tot zeventien Europese landen en van een aantal regio's met eigen ontwikkelingsbudgetten. Ook de Vlaamse en de Catalaanse ontwikkelingssamenwerking hebben bijvoorbeeld kantoren in Mozambique.

De coördinatie tussen al die donoren is de laatste jaren wat verbeterd, maar volgens Andrew Lawson van het ODI gaan de inspanningen om de Europese hulp efficiënter te maken de laatste twee jaar toch "traag". Lawson denkt dat er een orgaan nodig is om tot een goede werkverdeling te komen tussen de Europese Commissie en alle lidstaten van de Unie.

Maar bij de lidstaten bestaat traditioneel veel weerstand om de Europese Commissie een coördinerende rol te laten spelen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Op Europees niveau is het voorbije jaar alleen een gedragscode uitgewerkt die dubbel werk moet vermijden.

"Er is geen eenvoudige oplossing", geeft Lawson toe. "De commissie kan niet zeggen: 'Ierland, hou op met die gezondheidsprojecten' of 'Nederland: geen onderwijsprojecten meer'. Niemand wil de eerste stap zetten om tot een werkverdeling te komen. Maar iemand zal het moeten doen."

Het rapport van het ODI was besteld door het Ontwikkelingscomité van het Europees Parlement. Het instituut onderzocht de evolutie van de kwaliteit van de Europese ontwikkelingssamenwerking sinds de Verklaring van Parijs over de Efficiëntie van Hulp in 2005. In dat internationale verdrag verbonden donoren zich ertoe hun hulp beter te coördineren en af te stemmen op de prioriteiten van de ontvangende landen.

De Europese landen zijn goed voor meer dan de helft van de ontwikkelingshulp die wereldwijd wordt verstrekt, maar volgens het ODI heeft niemand de indruk dat Europa echt de leiding van de donorgemeenschap op zich neemt.

De problemen in Peru spreken boekdelen. Het ODI zegt dat het Peruaans Agentschap voor Internationale Samenwerking (APCI) sinds zijn oprichting in 2002 "opmerkelijk goed werk" heeft geleverd bij de coördinatie van donoren. Maar toch moet het agentschap nog 2.500 projecten per jaar beheren, die uitgaan van 900 verschillende instanties - van overheidsinstellingen tot niet-gouvernementele organisaties. "Veel van die donoren zien het APCI als een lastpost of een doorgeefluik", constateert het ODI.

BRON:
http://www.ipsnews.be

Deel dit artikel