Europese ontwikkelingshulp inzet van politieke machtsstrijd

Catherine Ashton, de nieuwe nummer één in de Europese buitenlandpolitiek, eist ook zeggenschap over de ontwikkelingshulp van de EU. Critici vrezen dat Ashton vooral uit is op het budget van 11 miljard euro; de belangen van de bestemmelingen van de hulp zouden op de tweede plaats komen.

Ashton, de hoge vertegenwoordiger van het Europees buitenlands beleid, vindt dat het ontwikkelingsbeleid onder de vleugels van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EEAS) moet komen, de diplomatieke dienst die ze aan het opzetten is. Het Europese ontwikkelingsbeleid kan volgens de Britse barones maar succes hebben als het op één lijn ligt met de bredere Europese strategie op het vlak van veiligheid en andere belangrijke internationale bekommernissen.

De EU heeft een aparte commissaris voor Ontwikkelingssamenwerking - de Let Andris Piebalgs - maar die zou onder de knoet kunnen komen te liggen van Ashton en haar adviseurs.

Hoe de Europese diplomatieke dienst moet gaan werken, wordt voorlopig bedisseld in goed afgeschermde vergaderingen tussen machtige Europese ambtenaren als de Brit Robert Cooper - een voorstander van een moderne vorm van imperialisme -, de Franse veteraan Pierre de Boissieu en Catherine Day, de Ierse secretaris-generaal van de Europese Commissie.

Binnenskamers

Tegenstanders van de bevoegdheidsverschuiving zeggen dat er geen noemenswaardig overleg is geweest met experts van buiten de Europese instellingen. Ze verwijten Ashton ook dat ze zich meer macht probeert toe te eigenen dat in de Europese verdragen is vastgelegd. Het Verdrag van Lissabon, dat vorig jaar in kracht trad en de functie van Ashton creëerde, zegt niet dat de hoge vertegenwoordiger ook verantwoordelijk wordt voor het ontwikkelingsbeleid.

De critici vrezen vooral dat de belangrijkste doelstelling van de ontwikkelingssamenwerking, de bestrijding van de armoede in de wereld, zal verwateren. De topambtenaren die de structuur van de nieuwe diplomatieke dienst uittekenen, hebben geen ervaring met armoedevraagstukken. Ze hebben zich vooral toegelegd op strategieën om Europa economisch en militair sterker te maken.

"De Europese diplomatie moet de belangen van de Europese burgers verdedigen", zegt Simon Stocker, de directeur van de ontwikkelingsdenktank Eurostep. "Wat heeft armoedebestrijding daarmee te maken - dat gaat toch om de belangen van de mensen in de ontwikkelingslanden? Als je die doelstellingen vermengt, ondermijn je het beleid op de twee gebieden. Het resultaat zal zijn dat de stem van de EU in de wereld nog verzwakt. De Unie zal de mogelijkheid verliezen zich als een echte partner van de ontwikkelingslanden op te stellen".

Binnen het Europees Parlement gaat ook kritiek op, maar die is milder. De Oostenrijker Hannes Swoboda vindt dat er "verduidelijkingen" moeten komen om duidelijk te maken dat ontwikkelingscommissaris Piebalgs en niet Ashton zal beslissen hoe de Europese ontwikkelingshulp besteed wordt. Volgens Swoboda moet er wel niet noodzakelijk een tegenstelling zijn tussen armoedebestrijding en andere doelstellingen, als de ontwikkelingscommissaris maar sterk genoeg is.

Een bron uit de omgeving van Piebalgs zegt dat die tevreden is met de grote lijnen van de voorstellen van Ashton. Ze worden samen verantwoordelijk om plannen in verband met ontwikkelingssamenwerking voor te stellen aan hun andere collega's in de Europese Commissie, en dus "kunnen er ook geen conflicten tussen hen ontstaan" als die plannen eenmaal zijn goedgekeurd.

Nuria Molina, de woordvoerster van het European Network over Schuld en Ontwikkeling, is minder positief. Volgens haar is onder de Europese landen de ontwikkelingssamenwerking het meest succesvol in landen waar de ontwikkelingsminister een grote autonomie geniet ten opzichte van de minister van Buitenlandse Zaken. "Het voorstel van Ashton gaat niet in de goede richting".



BRON:
IPS

Deel dit artikel