'Jaar van de waarheid' voor internationale donoren (OESO)

Internationale donoren hebben vorig jaar 5,1 procent minder officiële ontwikkelingshulp gegeven dan het jaar ervoor. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), die de cijfers vandaag (dinsdag) in Parijs bekend maakte, waarschuwt dat de donoren in 2007 op zoek moeten gaan naar andere vormen van ontwikkelingshulp dan schuldkwijtschelding, wanneer ze hun internationale beloften willen waarmaken.


De daling van de totale officiële ontwikkelingshulp (ODA) met 5,1 procent tot 103,9 miljard dollar in 2006 is op zich geen verrassing. In 2005 werd het cijfer kunstmatig opgeblazen door schuldkwijtscheldingen aan Irak en Nigeria. Donoren mogen die kwijtschelding volgens de regels van de OESO voor hun totale nominale waarde in rekening brengen als ontwikkelingshulp.

Maar ook als de schuldenkwijtschelding buiten beschouwing blijft, daalde de totale ODA met 1,8 procent. Zonder de kwijtschelding van Nigeriaanse schulden bijvoorbeeld, steeg de hulp aan zwart Afrika slechts met 2 procent. De groep van zeven grootste industrielanden en Rusland (de G8) en de Europese Unie hebben in 2005 nochtans beloofd dat ze hun hulp aan Afrika tegen 2010 wilden verdubbelen.

“Het algemene plaatje is eerder statisch, op een moment dat je zou hopen meer vooruitgang te zien”, zo becommentarieerde Richard Manning, de voorzitter van het Comité voor Ontwikkelingssamenwerking van de OESO (DAC), de resultaten. Manning zei erg benieuwd te zijn naar de cijfers voor 2007. Daaruit zal moeten blijken of een geleidelijke vooruitgang naar 2010 nog tot de mogelijkheden behoort

Volgens de DAC-voorzitter zullen de verwachte schuldkwijtscheldingen in 2007, met name voor de Democratische Republiek Congo en Liberia, niet de omvang hebben van de voorbije operaties in 2005 en 2006. “Wanneer de EU en de G8 hun doelen willen halen, moeten ze de kwijtscheldingen vervangen door significante hoeveelheden van andere vormen van ontwikkelingshulp”, zei Manning.

De vijftien “oude” EU-landen gaven in 2006 samen bijna 59 miljard dollar aan ontwikkelingshulp uit. Daarmee zijn ze samen veruit de grootste donor binnen de OESO. Het bedrag komt overeen met 0,43 procent van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI) van de Europese vijftien. De EU-15 haalt daarmee het streefdoel van 0.39 dat ze zich in 2002 op de VN-conferentie over de financiering van de ontwikkelingshulp in het Mexicaanse Monterrey had gesteld.

Als je de schuldkwijtschelding opnieuw wegdenkt, geven de EU-15 echter maar 0,36 procent van hun BNI aan ontwikkelingshulp, zo becijferde de OESO. De Europese ngo-koepel Concord komt op een nog lager percentage uit. Zonder de 11 miljard euro schuldkwijtschelding, de 1,6 miljard euro voor buitenlandse studenten in Europa en de 1 miljard voor de opvang van vluchtelingen spendeerde de Europese Unie slechts 0,3 procent van haar BNI aan “echte” ontwikkelingshulp.

Oostenrijk en Frankrijk zijn volgens Concord de Europese kampioenen in het “opblazen” van hun hulpcijfers, omdat respectievelijk 57 en 52 procent van hun hulp uit schuldkwijtschelding bestaat. België komt met 25 procent op de zesde plaats in het rijtje van de EU-15, na Italië (44 procent), Duitsland (35 procent) en Groot-Brittannië (28 procent). De kwijtscheldingen zijn omstreden omdat ontwikkelingslanden hun schulden vaak niet terugbetaalden en dus niet noodzakelijk meer geld overhouden om de armoede te bestrijden.

DAC-voorzitter Manning zei dat de discussie over het al dan niet toelaten van schuldenkwijtschelding als vorm van ontwikkelingshulp voorlopig niet aan de orde is, omdat de verwachte kwijtscheldingen in de komende jaren gaan dalen. “De landen die zich een bepaald doel hebben gesteld, hebben dat gedaan op basis van de bestaande regels. Je kunt die dus niet zomaar gaan veranderen”, zei Manning.

De Belgische ontwikkelingssamenwerking daalde in 2006 op het eerste zicht met 2,7 procent tot 1968 miljoen dollar, waarvan 409 in de vorm van schuldkwijtschelding. Wanneer je die niet meetelt en rekening houdt met de inflatie en de wisselkoersen stegen de Belgische uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking met 1,5 procent. De uitgaven komen overeen met 0,5 van het BNI en daarmee zit België op koers om zoals beloofd in 2010 de internationale fatsoennorm van 0,7 procent te halen.

Nederland is een stuk vrijgeviger en besteedt nu al 0,8 procent van zijn BNI aan internationale samenwerking. De Nederlandse ODA bedroeg 5452 miljoen dollar in 2006, een stijging van 4,2 procent tegenover 2005. 294 miljoen dollar of 5 procent van de ODA kwam er in de vorm van schuldkwijtschelding. IPS MDG8 (MC/JS)

Deel dit artikel