Meer en betere hulp voor Afrika

Mark Sundberg en Alan Gelb, twee stafleden van de Wereldbank, betwijfelen dat de hulp aan Afrika bijdraagt tot de ontwikkeling van het continent (zie DS van 21.12.06). Bart Bode van Broederlijk Delen pleit voor meer, maar betere hulp aan Afrika. 
 
Op dit ogenblik gaat er jaarlijks 78 miljard dollar hulp naar ontwikkelingslanden.  Daarvan gaat 23,8 miljard dollar naar Afrikaanse landen, dat is zowat 25 à 30 dollar per Afrikaan. Om de elementaire ontwikkelingsdoelen te realiseren is er minstens 50 miljard dollar extra nodig, op voorwaarde dat de reeds gedane beloftes uitgevoerd worden.

Of meer hulp zinvol is wordt door sommige sceptici in vraag gesteld. Ze betwijfelen of de hulp wel efficiënt wordt gebruikt.
In veel gevallen wordt de hulp wel goed aangewend. Oeganda gebruikte het geld van de schuldkwijtschelding om het aantal kinderen dat de lagere school afwerkt, te verdubbelen en een succesvol bestrijdingsplan tegen hiv/aids op te zetten. Mozambique kon met de kwijtschelding 500.000 kinderen inenten. Benin kon er gratis lager onderwijs in rurale gebieden mee aanbieden, waardoor duizenden kinderen voor het eerst naar school konden. In vier jaar tijd konden 10 Afrikaanse landen hun uitgaven voor onderwijs met 40 % en die voor gezondheidszorg met 70 % doen toenemen dankzij schuldkwijtschelding.

Toch blijven Afrikaanse landen, ook na diverse vormen van schuldenlastvermindering, heel veel intresten betalen. Sommige betalen meer aan schuldaflossing dan wat ze uitgeven voor gezondheidszorg. In 2004 betaalde Zambia meer terug aan het IMF dan aan zijn  totale budget voor onderwijs. Malawi –  met  20% seropositieve inwoners -  moet jaarlijks meer schulden betalen dan het kan uitgeven voor gezondheidszorg.

De klacht dat  een aantal regimes corrupt zijn is niet geheel onterecht. Wie via deze regeringen werkt, moet vaststellen dat een deel van de hulp helaas niet terechtkomt bij de bevolking. Hulp die verstrekt wordt aan lokale gemeenschappen, die door hen beheerd en aangewend wordt om hun eigen plannen uit te voeren, is duurzamer en geeft meer garanties om de beoogde doelgroepen te bereiken. Hij draagt tevens bij tot de totstandkoming van een weerbare bevolking, die haar leiders ter verantwoording kan roepen. Met meer dan 40 jaar ervaring hebben ngo’s zoals Broederlijk Delen ondervonden dat dergelijke hulp meer resultaten boekt.

Meer hulp geven aan Afrika is noodzakelijk maar ruimschoots onvoldoende. Internationale instellingen zoals de Wereldbank en het IMF stellen dat meer vrije markt de armoede wel zal oplossen en meer hulp overbodig zal maken. Dit wordt door de realiteit minstens in twijfel getrokken. Op verzoek van de Wereldbank en het IMF liberaliseerde Senegal in 2002 zijn aardnotenmarkt. Het resultaat van deze hervorming was dat minder dan 30 % van de aardnoten werd geoogst en dat boeren miljoenen dollars aan inkomen verloren. Het gevolg was een grote toename van hongersnood in de rurale sector. De economische groei daalde met 50 %. De Senegalese regering werd verplicht een beleid toe te passen dat de lokale economie ruïneert. Doet ze dat niet, dan krijgt ze geen verdere schuldverlichting.

Met de huidige handelsverhoudingen kunnen kleine Afrikaanse landen niet optornen tegen de economische grootmachten. Dan is de zogenaamde vrije markt enkel een eufemisme voor de wet van de sterkste. Als de rijkste landen het menen met hun beloftes rond armoedebestrijding, dan moeten lokale markten beschermd worden tegen dumping, moet er effectieve en volledige kwijtschelding van schulden komen en moet er meer en betere ontwikkelingshulp verstrekt worden.

Deel dit artikel