OESO: “Donorlanden moeten tandje bijsteken”

Als de rijke industrielanden hun beloftes willen waarmaken, moeten ze in 2010 twaalf procent meer besteden aan ontwikkelingshulp dan in 2006 het geval was. Sommige landen, waaronder België, moeten hun budget voor ontwikkelingshulp met meer dan vijftig procent verhogen. Dat zegt het Comité voor Ontwikkelingssamenwerking (DAC) van de OESO in zijn jaarlijkse rapport.


Het DAC-rapport biedt elk jaar een karrenvracht statistieken over de inspanningen die de OESO-lidstaten, 31 rijke landen, doen om armere landen bij te staan. Dit jaar bekijkt het rapport welke weg de lidstaten hebben afgelegd van 2002 tot 2006, en wat er nog moet gebeuren tegen 2010.

Op Conferentie over de Financiering van de Ontwikkelingshulp, in 2002 in het Mexicaanse Monterrey, hebben de meeste donorlanden concrete doelstellingen geformuleerd over hoeveel geld ze aan ontwikkelingssamenwerking willen besteden. Op de G8-top in het Schotse Gleneagles in 2005 beloofden de rijkste industrielanden bovendien dat ze hun hulp aan Afrika tegen 2010 zouden verdubbelen in vergelijking met 2004.

Om al die beloften waar te maken, moet de officiële ontwikkelingshulp van de OESO-landen nog met 12 procent stijgen tegenover de 104,4 miljoen dollar die ze in 2006 uitgaven. De inspanningen verschillen nogal van land tot land. België bijvoorbeeld heeft beloofd tegen 2010 het equivalent van 0,7 procent van zijn bruto nationaal inkomen (BNI) te besteden aan hulp. Om dat te verwezenlijken moet het zijn uitgaven voor ontwikkelingshulp nog met 53 procent verhogen.

Enkele Zuid-Europese landen hebben nog meer werk voor de boeg: Griekenland, Italië en Portugal moeten hun inspanningen opdrijven met respectievelijk 231, 179 en 160 procent. Nederland daarentegen geeft nu al 0,8 procent van zijn BNI uit aan ontwikkelingshulp en heeft beloofd dat te blijven doen.

Helpt hulp ?

Het DAC-rapport stelt tevreden vast dat de officiële hulpbijdrage van de rijke landen, uitgedrukt als aandeel van het BNI, tussen 2002 en 2006 is gestegen van 0,23 tot 0,33 procent. De stijging heeft volgens de OESO een impact gehad op een verbetering van de levenssituatie in de armste landen. Zo is in zwart Afrika het aandeel kinderen dat naar de basisschool gaat gestegen met 36 procent tussen 1999 en 2005. Het aantal kinderen dat sterft aan de mazelen is gedaald van 757.000 in 2000 tot 242.000 in 2006, een terugval met 68 procent.

Een andere positieve trend is dat de regeringen van ontwikkelingslanden erin slagen hun eigen inkomsten te vermeerderen. In zwart Afrika bijvoorbeeld stegen de overheidsinkomsten tussen 2001 en 2006 van 70 miljard tot ruim 180 miljard dollar. De internationale hulp aan het continent steeg in dezelfde periode slechts met 10 miljard dollar, wat volgens de OESO bewijst dat Afrika steeds zelfstandiger wordt.

Ook landen die niet tot de OESO-club behoren, zoals India, China en Thailand, zijn intussen actieve donoren geworden. Hun hulpcijfer steeg van 0,4 miljard in 2002 tot 1,9 miljard dollar in 2006. De bijdrage van private agentschappen en stichtingen steeg in dezelfde periode van 8,8 miljard tot 14,6 miljard dollar. Voeg daarbij de inkomsten die ontwikkelingslanden halen uit de internationale handel en het geld dat migranten terug naar huis sturen, en het is duidelijk dat de hulp van de rijke donorlanden niet langer de enige bron van inkomsten is voor de landen in het Zuiden.

Meer hulp voor arme landen

Uit de DAC-cijfers blijkt ten slotte dat steeds meer hulp naar de armste landen gaat, terwijl opkomende ontwikkelingseconomieën het met minder moeten stellen. België bijvoorbeeld spendeerde in 1995 26 procent van zijn middelen in de groep van allerarmste, “minst ontwikkelde landen”. In 2006 was dat aandeel opgelopen tot 37 procent. De landen die in absolute cijfers de meeste ontwikkelingssteun verloren tussen 2002 en 2006 zijn Indonesië, Brazilië, India en Thailand.

BRON:
http://www.ipsnews.be

Deel dit artikel