Politieke aanbevelingen: Financiering van de ontwikkeling




Sinds september 2008 is de financiële crisis uitgegroeid tot een globale economische recessie. Ook in de ontwikkelingslanden zorgde ze voor daling van de exportinkomsten en het opdrogen van de inkomende financiële stromen. Dit heeft geleid tot een verslechtering van de sociale en economische toestand. De kans dat de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling tegen 2015 worden bereikt, komt ernstig in het gedrang.

Volgens de ramingen van het IMF en de Wereldbank zou de crisis meer dan 90 miljoen bijkomende mensen in extreme armoede duwen voor eind 2010. Volgens de World Bank Group zullen 30-50 duizend meer babies voor hun eerste levensjaar sterven in Afrika als gevolg van de crisis. In de komende maanden dreigt een nieuwe schuldencrisis als gevolg van de wereldcrisis deze verpaupering nog te versnellen.

De nood om bijkomende middelen te voorzien voor de financiering van de ontwikkeling is meer dan ooit actueel. In december 2008 hebben de regeringen uit Noord en Zuid de Monterrey-consensus opnieuw bevestigd en erkend dat «het mobiliseren van financiële middelen en het efficiënt gebruik ervan voor ontwikkeling de spil vormen van het wereldwijde partnerschap voor duurzame ontwikkeling, en, meer precies, voor de realisatie [...] van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling» .

De concretisering van de verbintenissen die de regeringen in Doha op zich genomen hebben laat op zich wachten. Op de top van de G20 in Londen in april 2009 werd wel meer dan 1100 miljard dollar vrijgemaakt om de wereldeconomie uit het slop te halen. De verdeling van deze financiële enveloppe komt echter grotendeels ten goede van de rijkere groeilanden.

Totnogtoe werd slechts 50 miljard dollar uitdrukkelijk toegewezen aan de arme landen. Dit bedrag is duidelijk ontoereikend: het zal immers uitbetaald worden over een periode van twee tot drie jaar. Het IMF zelf raamt de factuur van de financiële crisis voor de armste landen nochtans op 216 miljard dollar, alleen al voor het jaar 2009. Bovendien wordt het hoofdzakelijk toegekend onder de vorm van leningen gekoppeld aan nieuwe voorwaarden. Het zijn geen giften.
Er moeten dus snel bijkomende middelen vrijgemaakt worden die geen schulden creëren. De arme landen mogen niet ten onder gaan aan een recessie die zij niet hebben veroorzaakt. Daarom moet de federale regering, in het kader van het Belgisch voorzitterschap van de EU in 2010, de andere lidstaten ervan overtuigen om de volgende maatregelen te nemen:



1. De middelen voor ontwikkelingssamenwerking verhogen en de kwaliteit ervan verbeteren.
In de verklaring van Doha over de financiering van ontwikkeling staat : « Wij vragen de ontwikkelde landen die dit nog niet hebben gedaan om zich er concreet toe te verbinden de doelstelling te realiseren om 0,7 % van hun BNI te besteden aan ontwikkelingssamenwerking evenals de meer specifieke doelstelling van 0,15 à 0,20 % voor de minst ontwikkelde landen [..] ». (Zie: Algemene Vergadering, 12 december, Verklaring van Doha over de financiering van de ontwikkeling.)

Om deze doelstelling te halen zullen de Europese regeringen hun inspanning moeten verdubbelen. In 2009 hebben zij samen 0,42 % van hun BNI aan ontwikkelingssamenwerking besteed, Dat is nog ver van de 0,7% die zij zich hebben voorgenomen tegen 2015. Volgens de laatste berekeningen zal er bovenop de huidige 49 miljard € EU hulp nog eens 52,7 miljard € gespendeerd moeten worden om de 2015 engagement na te komen. Door de wettelijk vastgelegde verbintenis om de 0,7 % van het BNP vanaf 2010 na te leven, zou België een krachtig signaal geven aan zijn Europese partners.

Een grote uitdaging blijft de vervuiling van de hulp. Van de ongeveer 49 miljard Europese hulp in 2009, gaat in feite €1,363 miljard naar schuldkwijtschelding, €1,482m miljard naar onthaal van buitenlandse studenten en €949 miljard naar onthaal en repatriëring van vluchtelingen. Anders gezegd, de werkelijke Europese hulp bedraagt slechts 0,38% van het collectieve BNI. Het Belgisch voorzitterschap moet kunstmatige verhoging van de cijfers afwijzen.

De belofte van 2005 om 50% van de toename van EU hulp aan Afrika richten is niet gehaald, integendeel hulp aan Afrika is afgenomen. Een omvangrijke herorientering van de hulp naar Afrika en de minst ontwikkelde landen is nodig. We kijken naar de Belgische regering om initiatieven te nemen op Europees niveau om deze agenda door te voeren.

Het Belgisch voorzitterschap van de EU zou ook de verbetering van de kwaliteit van de Europese hulp op de politieke agenda moeten plaatsen. Daarvoor moet in de eerste plaats werk gemaakt worden van de uitvoering van effectiviteitsprincipes zoals vastgelegd in de Verklaring van Parijs. Bovendien moeten de bijkomende engagementen om de doeltreffendheid van de hulp te verbeteren, aangegaan op het High-Level Forum in Accra, dringend worden nageleefd wil men de doelstellingen voor 2010 behalen. In het bijzonder dient er werk gemaakt te worden van het depolitiseren van hulp (ontbinden van de ontwikkelingssamenwerking en schrappen van de macro-economische conditionaliteit), van het voorspelbaar maken van de hulp en van het versterken van democratisch eigenaarschap. Cruciale elementen die tevens in het kader van de nieuwe hulpmodaliteiten zoals begrotingssteun dienen te worden verdiept. België dient bovendien zijn voortrekkersrol wat betreft hulp aan fragiele staten, in Afrika in het bijzonder, te gebruiken om de Europese aandacht hierop te vestigen. We verwachten dan ook dat België actief bijdraagt aan het dynamische Europese operationele kader ter verbetering van de doeltreffendheid van in de aanloop naar het High-Level Forum in Seoul in 2011.



2. Her-regulering van de financiële markten
Hoewel hulp een onmisbare pijler vormt in de financiering van de ontwikkeling, heeft ze slechts zin binnen een goed omkaderd internationaal financieel systeem. Financiële deregulering heeft immers talrijke negatieve gevolgen voor de ontwikkelingslanden.
Er ontstaan speculatieve luchtbellen. Het internationale financieel evenwicht wordt verstoord. Die storingen worden dan weer brutaal gecorrigeerd en maken de resultaten van ontwikkelinginspanningen ongedaan. De « sub prime »-crisis en de gevolgen ervan voor de ontwikkelingslanden zijn hiervan een perfect voorbeeld.
Het gebrek aan strikte financiële regelgeving maakt mogelijk dat belastingparadijzen internationaal belastingontwijking organiseren ten koste van de armste staten. Volgens de berekening van Raymond Baker, directeur van « Global Financial Integrity Program » in de Verenigde Staten, zou jaarlijks tussen 500 en 800 miljard dollar wegvloeien van de ontwikkelingslanden naar de belastingsparadijzen. De fiscale fraude van multinationale ondernemingen alleen al zou 65% vormen van deze onwettige kapitaalvlucht.

Belastingparadijzen herbergen tal van speculatiefondsen die ernstig nadeel berokkenen aan de ontwikkelingslanden.
De vele nadelige gevolgen van de financiële deregulering, zouden de Belgische regering er toe moeten aanzetten om - in het kader van het EU-voorzitterschap in 2010 - maatregelen te nemen om de financiële sector strikt te controleren. België zou meer bepaald drie maatregelen moeten ondersteunen:

  • Binnen de eurozone een belasting heffen op alle financiële transacties (aandelen, obligaties, vreemde valuta, afgeleide producten enz.). Een onderdeel van die taks is een belasting op munttransacties, in overeenstemming met de Wet aangenomen door het Belgisch parlement in juli 2004. De invoering van taks op financiële transacties zou immers een dubbele doelstelling kunnen realiseren: Het genereren van nieuwe inkomsten voor ontwikkeling, en het ontraden van speculatieve bewegingen op korte termijn (zonder lange termijn investeringen te ontmoedigen)

  • Strijd voeren tegen belastingparadijzen op Europees en internationaal niveau door volgende maatregelen uit te vaardigen: de opheffing van het bankgeheim; het opzetten van een automatische uitwisseling van fiscale informatie tussen de landen; de verplichting voor multinationale ondernemingen om een boekhouding land per land te voeren - zodat uit hun rekeningen blijkt in welke landen zij actief zijn en welke financiële resultaten zij in elk land behalen; de teruggave aan de bevolking van de ontwikkelingslanden van bezittingen verduisterd door hun machthebbers en belegd in de banken van het Noorden (op grond van de UNO-conventie tegen corruptie).

Deel dit artikel