Politieke aanbevelingen: Voedselsoevereiniteit en duurzame landbouw



De voedselcrisis van 2007-2008 ging gepaard met andere crisissen, niet alleen op economisch en financieel vlak, maar ook rond energie, klimaat en natuurlijke grondstoffen. Ondanks ronkende verklaringen van beleidsmakers en een sterke daling van de landbouwprijzen op de internationale markten, is het aantal mensen dat honger lijdt fors toegenomen: meer dan een miljard mensen is nog steeds chronisch ondervoed.

De ontnuchterende vaststelling is dat de onderliggende oorzaken niet werden aangepakt. Tot de voornaamste oorzaken behoren: de liberalisering van de handel in landbouwproducten, de jarenlange verwaarlozing van de landbouw in de ontwikkelingslanden, de desinteresse van landbouw in het ontwikkelingsbeleid, de hype van de agrobrandstoffen en speculatie op de markten voor landbouwproducten.

Gevolg: wanneer de prijs voor de landbouwer zeer laag is, kunnen honderden miljoenen kleine landbouwproducenten niet langer in hun eigen voedselbehoefte voorzien. Zijn de prijzen voor de gezinnen zeer hoog, dan zijn het de honderden miljoenen arme consumenten die op hun beurt honger lijden. Dat zijn in de eerste plaats arme boeren, landarbeiders, werklozen en mensen met een laag inkomen.

Daarenboven geeft de toegang tot natuurlijke rijkdommen steeds vaker aanleiding tot conflicten. Ondanks hun fundamentele rol in de voedselproductie, genieten vrouwen nog steeds te weinig van de noodzakelijke rechten op de toegang en de controle van deze rijkdommen.

De uitdaging van de klimaatcrisis voor de landbouw is enorm. De globale impact van de klimaatverandering op landbouwgewassen zal de voedselzekerheid bedreigen, in het bijzonder voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen. De inbeslagname van vruchtbare gronden in ontwikkelingslanden door olielanden, financiële fondsen en anderen versterkt de ongelijkheid op het vlak van recht op voedsel en toont een gebrek aan vertrouwen in het functioneren van de wereldwijde landbouwmarkt.


Toch is er sprake van een politieke wil om landbouw opnieuw als belangrijkste pijler van het ontwikkelingsbeleid en van de strijd tegen armoede te beschouwen. Dit moet zich echter vertalen in engagementen op lange termijn.

Het landbouw-, handels-, en ontwikkelingsbeleid zijn er niet in geslaagd het recht op voedsel te garanderen, de armoede op het platteland te verminderen, de markten te stabiliseren, de nodige landbouwinvesteringen te promoten en de natuurlijke rijkdommen op een duurzame manier te beheren, de gelijkheid tussen man en vrouw te verzekeren. Daarom eisen wij:


1. Meer aandacht voor landbouw in het Europese beleid inzake ontwikkelingssamenwerking
Voor de meeste ontwikkelingslanden en de Afrikaanse landen in het bijzonder is landbouw nog altijd de belangrijkste economische sector. Economische groei voortgebracht door landbouw is 4 keer effectiever dan groei in andere economische sectoren. Na decennialang overheidsinvesteringen in de landbouw ontmoedigd te hebben, roept de Wereldbank in haar World Development Report 2008 thans donoren op om opnieuw meer aandacht te schenken aan landbouw in ontwikkelingslanden.

Om dit te bereiken moet het aandeel van landbouw in de Europese Ontwikkelingssamenwerking, net zoals in de Belgische ontwikkelingssamenwerking, worden opgetrokken tot minimaal 15% van het totale budget voor ontwikkelingssamenwerking.

Afgezien van de bestede bedragen, gaat het erom deze budgetten te besteden aan duurzame familiale landbouw die voedsel produceert op lokale en regionale schaal en gebaseerd is op familiale, gediversifieerde en agro-ecologische productiesystemen. Die investeringen moeten worden ontwikkeld, in praktijk gebracht en geëvalueerd in samenwerking met de boerenorganisaties en wel in een kader waarin de rol en verantwoordelijkheden van deze organisaties als gesprekspartners van de overheden en andere partijen worden erkend.

De deelname van de boerenorganisaties is een belangrijke voorwaarde voor het succesvol verloop van de CAADP (Comprehensive Africa Agriculture Development Programme). Landbouwbeleid kan niet uitsluitend door overheden bepaald worden. De definiëring ervan en de uitwerking van het beleid moet in dialoog met de sector gebeuren. De erkenning van boerenorganisaties is ver van voldoende. Ze moeten ook versterkt worden in hun capaciteiten door belangrijke en vaste financieringen. Dit zal hen toelaten ten volle hun rol te spelen en hun verantwoordelijkheden in alle legitimiteit te nemen.

Tevens moet de positie van de vrouwen en van vrouwenorganisaties worden ondersteund en versterkt, gelet op hun doorslaggevende rol in de familiale landbouw.



2. Een handels-en landbouwbeleid in overeenstemming met de doelstellingen inzake ontwikkeling.
Het Europese landbouwbeleid moet beantwoorden aan de verwachtingen van de Europese landbouwers en burgers en tegelijk rekening houden met de belangen van landbouwers en burgers in het Zuiden.

Om dat te bereiken, vragen wij dat het Europese landbouwbeleid wordt afgestemd op een model van duurzame familiale landbouw waarin de prijzen van de landbouwproducten leefbaar zijn voor de producenten, waarin de productie en de export worden bepaald door het beheer van het aanbod, waarin de lokale en duurzame productie van olie- en eiwitrijke gewassen wordt gepromoot om onze afhankelijkheid van plantaardige eiwitten te verminderen, waarin deugdelijke milieupraktijken worden aangemoedigd, de strategische voedselvoorraden worden versterkt en de financiële speculatie op de termijnmarkten voor landbouwproducten verboden is.

Het handels- of energiebeleid mogen de voedselsoevereiniteit van de bevolking en de landen van het Zuiden niet in gevaar brengen door de liberalisering van de landbouwmarkten op te dringen of door de productie van exportgewassen op te leggen. De economische partnerschapsakkoorden (EPA) komen hier duidelijk ter sprake want ze beperken nog meer de politieke beleidsruimte die nodig is voor de bescherming van de belangrijke landbouwsector.

Om de voedselsoevereiniteit van landen niet te bedreigen, moet Europa beleidsmaatregelen ondersteunen, die de markten beschermen tegen de invoer van voedsel tegen lage prijzen (contingentering, variabele invoerrechten), en evaluatieprocedures invoeren, die onafhankelijk zijn van de impact van het beleid van het Noorden op de duurzame familiale landbouw in de ontwikkelingslanden.

 

Deel dit artikel