Vlaamse wapensystemen worden gebruikt voor oorlogen

Op 20 oktober stelde het Vlaams Vredesinstituut haar eerste wetenschappelijke rapporten voor aan het publiek op een studiedag over 'Vrede en Economie' (zie www.vlaamsvredesinstituut.eu) Hoewel de rapporten aan degelijkheid niets te kort komen, roepen de resultaten ervan enkele belangrijke vragen op. Waar gaan onze wapens naartoe? Waarvoor worden ze gebruikt? En geldt onze wapenwet enkel voor landen in het Zuiden, of ook voor uitvoer naar zogenaamde Westerse bondgenoten?


90% van de waarde van alle Vlaamse wapenuitvoervergunningen tussen 2003 en 2006 hebben de industrie als eindbestemming. Dat vlooide het Vredesinstituut uit in haar rapport 'Profielschets van de buitenlandse handel in militaire goederen en de defensiegerelateerde industrie in Vlaanderen' (zie vlaamsvredesinstituut.eu).

Dit is volkomen correct, en tegelijkertijd een groteske leugen. Correct, want zo staat het ook aangegeven in de Vlaamse rapporten met betrekking tot wapenexport die het Vlaams Vredesinstituut als basis nam voor haar onderzoek. Een leugen, want in bijna 100% van de uitvoer met bestemming industrie worden de uitgevoerde wapensystemen of onderdelen hiervan verder ingebouwd in grotere wapensystemen zoals helicopters en gevechtsvliegtuigen die uiteindelijk belanden bij diverse krijgsmachten. De echte eindbestemmelingen van de Vlaamse wapensystemen zijn dus voor 90% van de waarde ervan niet gekend, althans niet door publiek of parlementairen.

Dat is meteen ook het grote pijnpunt bij de huidige rapportering over de Vlaamse wapenexporten. Het zijn de wapenrapporten die het publiek en het parlement zouden moeten in staat stellen om te controleren of de Vlaamse overheid zich aan de wet houdt. Waarom kan in deze verslagen niet opgenomen worden wie de uiteindelijke eindgebruiker is van het wapensysteem? Wapensystemen zijn typisch producten die niet van de plank genomen worden, maar slechts geproduceerd worden als men er een koper voor heeft. Van de Vlaamse onderdelen is dus perfect geweten waar de geïntegreerde wapensystemen uiteindelijk zullen belanden. Barco is daar in zijn communicatie overigens duidelijker in dan de Vlaamse wapenhandelrapporten.

Het Vredesinstituut geeft in zijn analyse ook een overzicht van enkele opvallende goedgekeurde uitvoer-en doorvoervergunningen. Vergunningen voor b.v. Colombia, Algerije, Iran, Pakistan of India zijn mogelijks in strijd zijn met de Europese Gedragscode inzake wapenhandel. “Mogelijks”, want niet altijd is voldoende informatie voorhanden om tot een eenduidig besluit te komen. In het lijstje met “verdachte” eindbestemmingen ontbreekt echter de VS . De uitvoer naar VS is ook een duidelijke schending van de Europese Gedragscode die opgenomen is in de Belgische wetgeving: "De lidstaten verlenen geen uitvoervergunning wanneer er een duidelijk risico bestaat dat het beoogde ontvangende land het bedoelde materieel voor agressie jegens een ander land gebruikt (...)". In de National Security Strategy van de VS wordt de optie 'preemptive action' voorzien. Zonder mandaat van de VN-veiligheidsraad is dit agressie. De VS heeft de laatste jaren duidelijk gemaakt dat ze dit zonder meer in praktijk brengt. In waarde uitgedrukt is de VS het allerbelangrijkste land van bestemming volgens de Vlaamse wapenrapporten. Eén derde van de uitvoer heeft de VS als bestemming. Waarom wil niemand deze uitvoer in vraag stellen? Geldt onze wapenwet dan alleen maar voor eindbestemmelingen in het Zuiden?

Vredesactie deed een bescheiden onderzoek naar de door de VS ingezette wapens in de oorlog tegen Irak en Afghanistan. Ook Vlaamse wapensystemen worden hier gebruikt: onderdelen voor rupsbanden van Varec, robuuste beeldschermen en grafische ‘controllers’ van Barco voor de US NAVY Surface Search Radaren, ... Dit soort radars vormde een essentieel onderdeel voor de oorlog van de VS tegen Irak, onontbeerlijk voor het detecteren van doelen in Irak.

De Orwelliaanse newspeak term voor 'bad' is 'ungood'. De newspeak term voor wapenindustrie of oorlogsindustrie is 'defensiegerelateerde' industrie. Het liefst van al zou de 'defensiegerelateerde' industrie haar 'oorlogsgerelateerde' producten uitvoeren zonder dat een vergunning nodig is (zie opinie van Wilson De Pril van Agoria in De Morgen van 3 Nov 06). De producten die de hoogtechnologische wapenindustrie in Vlaanderen maakt - en die in Vlaanderen terecht onder de catch-all clausule vallen - dienen echter wel degelijk om oorlog te voeren, met honderdduizenden doden tot gevolg in Irak en Afganistan. De scherven, bommen of kogels zijn niet van Vlaamse makelij, de beeldschermen, nachtkijkers en andere electronica voor 'command and control' zijn dat deels wel. De producenten ervan moeten dus ook terecht een vergunning aanvragen vooraleer ze die producten uitvoeren. En als Vlaanderen zich aan de Europese Gedragscode wil houden mag ze de uitvoer naar de VS niet vergunnen.

De industrie verdedigt graag haar aandeel in de wapenindustrie door te verwijzen naar de radicale technologische doorbraken in deze sector die later hun weg vinden naar de civiele markt. Voor Vredesactie is het onduidelijk waarom de omweg via de wapenindustrie naar de civiele markt moet gemaakt worden. Waarom wordt niet direct geïnvesteerd in kenniseconomie ten dienste van de samenleving vooraleer de technologie eerst wordt ontwikkeld voor dood en vernieling? Vlaanderen was aardig op weg om er voor te zorgen dat het geld voor onderzoek en ontwikkeling deze omweg niet langer moet maken. Na een publiek en parlementair debat in 1999 keurde de Vlaamse Regering een nota goedkeurde, gericht aan het IWT, het Instituut voor de Aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie. Die nota maakt steun aan projecten met militaire affiniteit onmogelijk. Die lijn moet Vlaanderen doortrekken. Ook investeringssteun, exportsteun, steun voor de luchtvaartindustrie zou projecten met militaire affiniteit moeten uitsluiten.

Deel dit artikel