WTO: geen evenwicht in het Bali-pakket

Volgende week komen de ministers van de 159 leden van de WTO samen in Bali. Het was de bedoeling dat ze er een pakket maatregelen en akkoorden zouden goedkeuren dat vooraf in het hoofdkwartier van de WTO in Genève was onderhandeld. Die onderhandelingen zijn mislukt, het pakket is niet afgeraakt. In de onderhandelingsteksten staat nog veel tussen haakjes.  Toch is het mogelijk om een beeld te krijgen van wat er in het pakket zit. En dat beeld laat zien dat er niet echt een evenwichtige verdeling van de kosten en baten inzit tussen Noord en Zuid.

Twee grote dozen waarvan één bijna vol en één bijna leeg, en daarnaast acht zo goed als lege dozen

1.  Trade Facilitation is de grootste doos en daar zit ook het meeste in, namelijk het eerste multilaterale handelsakkoord sinds 1994. Trade Facilitation is een set van regels om de douaneverrichtingen aan de grens te versnellen. Dit houdt voor het Zuiden een reeks verplichtingen en dure investeringen in die vooral de (controle op) de invoer van producten uit het Noorden in het Zuiden te goede zullen komen (zie Voorbereiding voor de WTO top mislukt).

Het akkoord is bijna af al moeten er nog veel haken weggewerkt worden. Minst-ontwikkelde landen krijgen meer uitzonderingen, tijd en ook financiële steun om de regels en de hervormingen door te voeren. Voor andere arme landen is dit niet zo duidelijk.

Landbouwdossiers


2. 
 Wat impact betreft is het voedselzekerheidsdossier ook een grote doos, maar er is geen lange tekst voor nodig. Enkele korte bewoordingen volstaan om ontwikkelingslanden toe te laten overheidsgelden te gebruiken om voedselvoorraden aan te leggen waarmee zowel het inkomen van arme boeren als de toegang tot voedsel kan verbeterd worden.

Helaas is deze grote doos bijna leeg. Tot nu toe kon er enkel een tijdelijke belofte van vier jaar van af om landen die dit doen niet voor het WTO-tribunaal te dagen. Waterdicht is die belofte trouwens niet. Daar is nog sleutelwerk voor nodig. Met oog om de millenniumdoelstellingen en de belofte om de honger in de wereld aan te pakken, zou dit hét prioritaire dossier moeten zijn. Helaas is het Noorden, dat zelf voor honderden miljarden steun geeft aan zijn boeren, niet geneigd om hier een permanente oplossing aan te bieden.

3.  Dat geldt ook voor de exportsubsidies en andere steun aan de export van het Noorden. In 2005 deed de EU de belofte om tegen het einde van 2013 al haar exportsubsidies af te schaffen, tenminste als onderdeel van een globaal akkoord over het geheel van de Doha-onderhandelingsronde die in 2001 in de WTO was opgestart. Nu de EU aan die belofte wordt herinnerd stelt ze dat er geen globaal akkoord is en ze dus niets moet doen; en bovendien dat ze haar exportsubsidies al heel sterk verminderd heeft. Dat klopt ook. Maar waarom is het dan zo moeilijk om op zijn minst vast te leggen dat ze het huidige niveau (toch nog altijd goed voor €20 miljard) niet meer zal verhogen? In deze doos zitten enkel vage beloftes.

4.  Eén van de kleinst dossiers gaat over de manier waarop quota voor landbouwproducten worden gebruikt. Een quotum is hoeveelheid landbouwproducten die mag ingevoerd worden aan een bepaalde invoertaks; eens het quotum is bereikt moeten er voor de volgende hoeveelheden hogere taksen worden betaald. Maar veel quota blijven ongebruikt omdat er onvoldoende toegankelijke informatie over is en omdat bepaalde invoerders invoerrechten hebben gekregen die ze niet gebruiken.

Op vraag van ontwikkelingslanden zijn er regels aangenomen om de transparantie te verhogen en ongebruikte rechten te herverdelen. Maar de VSA stond er op dat die regels ook door ontwikkelingslanden zouden toegepast moeten worden. Als enig ontwikkeld land heeft het bovendien een optie genomen om na vier jaar uit de afgesproken regeling te stappen. Een kleine doos met enige waarde, die na vier jaar vermindert.

5.  Een andere kleine doos met waarde die bovendien zonder veel gehakketak is aanvaard gaat over subsidies voor algemene diensten aan de landbouw zoals steun voor landhervormingen, bodembescherming, bescherming tegen overstromingen, enz. Op die subsidies staat geen plafond meer omdat iedereen erkend dat ze niet handelsverstorend zijn.

Ontwikkelingsdossiers

Vier dossiers hebben betrekking op de minst-ontwikkelde landen

6. 
 Een ander landbouwdossier dat in het Bali-pakket nochtans bij de categorie "ontwikkeling" is ondergebracht belangt maar een klein aantal landen aan, maar het heeft er wel een grote impact. Het sleept helaas al jaren aan zonder er echt iets aan gedaan wordt: de ondermijning van de katoenteelt in vier Sahellanden (Mali, Burkina Faso, Benin en Tsjaad) door de subsidies aan de katoenboeren in de VSA. Hoe schrijnend de situatie ook, de VSA weigert zijn subsidies terug te schroeven zolang er geen nieuw globaal landbouwakkoord is. Ook dit keer staat er alleen onder de hoofding 'Katoen" alleen maar gebakken lucht in het Bali-pakket.

7.  Even vrijblijvend is de zoveelste aanmoediging sinds 1996 aan het adres van de rijke landen om quota vrije en taksvrije markttoegang te verlenen aan de minst-ontwikkelde landen. Opnieuw is het vooral de VSA die achterop hinkt.


8. 
 De vereenvoudiging van de "oorsprongsregels" is een oude eis van de ontwikkelingslanden en vooral de minst-ontwikkelde landen. Oorsprongsregels bepalen hoeveel toegevoegde waarde er in een land moet geproduceerd zijn om te aanvaarden dat een product zijn oorsprong vindt in dat land. Bijvoorbeeld: volstaat het dat een jeans in een land in elkaar wordt gestikt om het te erkennen als een product uit dat land, of moet de stof ook er plaatse zijn geweven?

Oorsprongsregels zijn van belang omdat landen elkaar voordelen geven op basis van vrijhandelsakkoorden of algemene regels (zoals de quota vrije, taksvrije markttoegang voor de mins-ontwikkelde landen). Zonder oorsprongsregels kunnen derde landen van de voorkeursbehandeling profiteren door een klein onderdeel van de productie in het bevoordeelde land te laten plaatsvinden.

Maar te strenge oorsprongsregels kunnen minst-ontwikkelde landen die veel onderdelen moeten invoeren beletten om van hun voorkeursbehandeling te genieten. Eenvoudige oorsprongsregels zijn dus in hun belang. Maar de schrik om goedkope invoer binnen te krijgen van ander landen via de minst-ontwikkelde landen is groter. Dus houdt het Bali-pakket het bij niet-bindende aanmoedigingen. Een niet zo kleine maar wel nogal lege doos.


9.  En dat geldt ook voor de 'services waiver', of de 'dienstenuitzondering'. Dit is ook een maatregel om de integratie van de minst-ontwikkelde landen in de wereldhandel te bevorderen. In tegenstellig tot het WTO-akkoord over de handel in goederen (GATT), bevat het akkoord over de handel in diensten (GATS) een absolute verplichting om al de WTO-leden op dezelfde manier te behandelen.
Rijke landen mogen ontwikkelingslanden of minst-ontwikkelde landen dus geen gemakkelijkere toegang verlenen tot hun markt. Tijdens de 8ste WTO Ministerconferentie is daar een uitzondering ("waiver" in WTO-jargon) op verleend. Dat is een goede zaak, maar daarmee bestaat alleen nog maar de toestemming om gemakkelijkere toegang te geven maar nog geen toegang zelf.

Die bal wordt in het Bali-pakket  in het kamp van de minst-ontwikkelde landen gelegd. Zij moeten een verzoek indienen en dan zal de WTO Raad voor de handel in diensten er op toezien dat landen, die daartoe de mogelijkheid hebben, kunnen aangeven welke bijzondere toegang zij kunnen verlenen. Het probleem is dat er amper diensten te bedenken zijn die minst-ontwikkelde landen zouden kunnen uitvoeren, tenzij natuurlijk diensten waarbij goedkope ongeschoolde krachten zich tijdelijk verplaatsen (schoonmaakploegen, bouwondernemingen), maar staat niet echt iemand op te springen.

Bijzondere en gedifferentieerde behandeling

10.  Het internationale handelssysteem kent het principe van de bijzondere en gedifferentieerde behandeling van ontwikkelingslanden en minst-ontwikkelde landen. De WTO-akkoorden staan er vol mee en in veel gevallen is onmiddellijk duidelijk wat er moet gebeuren: bijvoorbeeld ontwikkelingslanden krijgen meer tijd om een verplichting na te komen. Maar dikwijls is het helemaal niet duidelijk wat er precies bedoeld is.

Van bij het begin van de Doharonde hebben ontwikkelingslanden 88 bepalingen geïdentificeerd die niet kunnen uitgevoerd worden omdat er onduidelijkheid is. Het was de bedoeling dat die één voor één zouden opgeklaard worden. Maar dat liep niet van een leien dakje: na twee jaar waren maar 28 bepalingen geherformuleerd (zonder dat ze daarom veel duidelijker waren geworden).

Het Bali-pakket bevat nu een 'Monitoring Mechanisme' dat er uit bestaat dat de WTO Commissie voor Handel en Ontwikkeling twee keer per jaar zal samenkomen om te onderzoeken hoe de bijzondere en gedifferentieerde behandeling functioneert en dat aanbevelingen kan doen aan de Algemene Raad van de WTO die dan kan beslissen om een oplossing te onderhandelen. Opnieuw en eerder lege doos met veel vorm maar nog lang geen inhoud.

Marc Maes
Beleidsmedewerker handel/Secretariaat Adviesraad voor Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling (ABCO)

Deel dit artikel