Inspanningen Kyoto moeten niet door ontwikkelingslanden worden gedragen

Persbericht - 12 maart 2004  

Clean Development Mechanism is geen ontwikkelingssamenwerking
De Noord-Zuidbeweging is tevreden dat onze regeringen eindelijk afgesproken hebben hoe ze de Kyoto-normen zullen halen. Dat was nodig, en is in ieders belang, zowel dat van België als van de landen in het zuiden.

De Noord-Zuidbeweging verzet zich echter nadrukkelijk tegen de intentie van de federale regering om een deel van de kosten te betalen met het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Het gaat meer bepaald om de financiering van de Clean Development Mechanism-projecten (CDM’s). Dat zijn investeringen van donorlanden in projecten in ontwikkelingslanden die leiden tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen daar. Die vermindering mogen donorlanden dan gedeeltelijk op hun rekening schrijven voor het behalen van de inspanningen die zij zelf moeten leveren. In een antwoord op een vraag hierover in het federale parlement, liet Minister voor Consumentenzaken en Leefmilieu Freya Van den Bossche weten dat België inderdaad ‘nieuwe’ middelen voor ontwikkelingssamenwerking hieraan wil besteden.

Er is een algemene tendens om allerlei uitgaven die verband houden met bijvoorbeeld terrorisme-bestrijding, veiligheidsaspecten, migratie en nu ook CDM-projecten, geheel of gedeeltelijk onder de noemer ontwikkelingssamenwerking te brengen om de prestaties van donoren een duwtje te geven richting 0,7%. Doelstellingen voor ontwikkelingssamenwerking verwateren daardoor.

Om die reden is extra waakzaamheid vereist in de discussie over de vraag of CDM-projecten als ontwikkelingssamenwerking beschouwd kunnen worden. Het gaat immers om verplichtingen die België moet nakomen om de Kyoto-normen te halen. België moet zijn Kyoto-inspanningen zelf betalen, zonder dat dit ten koste gaat van ontwikkelingssamenwerking. De kost voor Kyoto kan evenmin beschouwd worden als een bijkomende inspanning om de 0,7%norm te halen. Het budget voor ontwikkelingssamenwerking moet besteed worden in overleg met de partnerlanden, en aan initiatieven die zij als prioritair identificeren. Een heroriëntering naar CDM’s levert vooral België kredieten op om zelf minder inspanningen te moeten doen.

De federale regering geeft overigens in het akkoord toe dat ze zich moet houden aan de richtlijnen van het Ontwikkelingscomité van de OESO. Dat Comité moet zich nog uitspreken over de vraag of en in welke mate de financiering van CDM’s beschouwd kan worden als een uitgave voor ontwikkelingssamenwerking.
De Noord-Zuidbeweging wijst erop dat er afspraken werden gemaakt tussen donorlanden om geen middelen voor ontwikkelingssamenwerking te heroriënteren naar CDM’s. In Marrakech, waar verdere afspraken werden gemaakt om het Kyoto-protocol te implementeren, stelden donoren dat overheidsuitgaven voor CDM’s niet mogen leiden tot het afwenden van officiële ontwikkelingssamenwerking. (“Public funding for CDM’s …should not result in the diversion of official development assistance”). Binnen de OESO onderzoekt men nu de piste om bijkomende middelen toch gedeeltelijk als aanrekenbaar voor de 0,7% norm te beschouwen, omdat de formulering geen uitdrukkelijk verbod hierover inhoudt. 11.11.11 deelt deze interpretatie niet. Het holt het begrip officiële ontwikkelingssamenwerking verder uit, en kan leiden tot een aantasting van de geloofwaardigheid van de OESO/DAC en donorlanden bij ontwikkelingslanden.

Het zou de Belgische regering sieren als ze binnen de OESO pleit voor het zuiver houden van de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking. De Noord-Zuidbeweging roept de Belgische regering dan ook op om zich in het ontwikkelingscomité van de OESO te verzetten tegen een uitholling van het begrip officiële ontwikkelingssamenwerking. Dat houdt dan ook in dat de CDM-projecten gefinancierd zullen worden met extra middelen, die niet uit de begroting ontwikkelingssamenwerking komen en die niet verrekend worden als een uitgave voor ontwikkelingssamenwerking.

Meer informatie:
Karen De Pooter, Studiedienst 11.11.11, 02/536.11.89 of 02/219.57.01
Geert Fremout, VODO, 02/536.19.41

 

Deel dit artikel