60 jaar Israël: geen feest voor de Palestijnen

Met een groot mediaoffensief viert Israël zijn zestigste verjaardag. Maar het is heus niet alleen feest. De Palestijnen spreken van ‘al-Nakba’ (de catastrofe) omdat de oprichting van de Israëlische staat gepaard ging met de vernietiging van honderden dorpen en steden op het grondgebied waar nu Israël ligt.

Inmiddels wachten meer dan 4,5 miljoen Palestijnse vluchtelingen op hun recht op terugkeer en/of compensatie voor de onteigeningen en de geleden schade. Op het resterende gebied van historisch Palestina (22% - de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en de Gazastrook) hopen de Palestijnen alsnog hun eigen staat op te richten. Maar de Israëlische honger naar zo veel mogelijk grondgebied, maakt dat onmogelijk. Bijna de helft van deze sinds 1967 bezette gebieden wordt ingepalmd door nieuwe Israëlische nederzettingen met enkel voor Israëlische burgers toegankelijke wegen, een scheidingsmuur, een immense militaire zone en een voor Palestijnen ontoegankelijk natuurgebied. Wie de kaarten bekijkt van het Coördinatiebureau voor Humanitaire Zaken (OCHA) van de Verenigde Naties, kan niet anders dan concluderen dat het een onmogelijke klus is om op de overgebleven eilandgebiedjes een Palestijnse staat op te richten, tenzij de Israëlische regering de door haar zelf gesubsidieerde nederzettingen en annex infrastructuur volledig ontmantelt en alles teruggeeft. Maar de Israëlische politiek van voldongen feiten maakt dit steeds moeilijker.

Wat moet er in die onmogelijke context met de Palestijnen gebeuren? Het kan verbazen, maar zelfs in Israël weet men het niet echt, tenzij dan de keuze voor drastische ‘oplossingen’. Rechts en zionistisch Israël, dat vandaag over een politieke meerderheid beschikt, vindt het claimen en inpalmen van Palestijns territorium legitiem. Israël spreekt daarom ook niet over ‘bezette’, maar over ‘betwiste’ gebieden. Tegelijk wil datzelfde politieke kamp een zo zuiver mogelijke Joodse staat, conform de zionistische ideologie van ‘Eretz Israël’ of het Bijbelse Israël. Het enige wat dan nog aan pistes rest, is de Palestijnen opsluiten in de minigebiedjes en ze laten onderhouden met internationaal ontwikkelingsgeld of ze uiteindelijk gewoon van hun grond verjagen zoals dat ook na de tweede wereldoorlog is gebeurd.

Nog voor de oprichting van de staat Israël op 15 mei 1948 en de daaropvolgende oorlogsverklaring van de Arabische buurlanden keurde de toenmalige zionistische leiding het Plan Dalet (maart 1948) goed. Dat bestond er uit zoveel mogelijk Palestijnen van hun grond te verdrijven. Wat eerst nog (eind 1947, begin 1948) represailles waren tegen de Palestijnse weerstand werd nadien een systematische politiek van etnische zuiveringen om het territorium  dat de Verenigde Naties hadden toegewezen aan de nog op te richten Joodse staat, uit te breiden. Op een aantal plaatsen ging dat gepaard met slachtpartijen.
 
Tot vandaag heerst de mythe dat Israël het latere VN-verdelingsplan uit 1947 (AV-Resolutie 181) aanvaardde terwijl de Arabieren het verwierpen om vervolgens militair in te grijpen. De Arabische afwijzing viel te verklaren vanuit het historische verzet eerst tegen de immigratie die de joodse bevolking deed groeien van een tiende naar een derde van de totale bevolking in Palestina. Op dat ogenblik had de Joodse bevolking amper 7 % van de totale grond in bezit. Het VN-verdelingsplan voorzag evenwel 56 % van het grondgebied voor de Joodse staat. De Palestijnen zagen dit als een grove onrechtvaardigheid gezien een minderheid een meerderheid van het gebied kregen toegewezen. In hun ogen betaalden ze het gelag voor de eeuwenlange slachtpartijen van het Europese antisemitisme en de Holocaust.

David Ben Goerion, de latere eerste premier die op 14 mei 1948 de onafhankelijkheidsverklaring voorlas, beoordeelde het verdelingsplan met gemengde gevoelens. Met “blijdschap omdat de naties uiteindelijk hebben erkend dat we een natie zijn met een staat, droefheid omdat we de helft van het land hebben verloren en daarbovenop dat we zitten opgescheept met 400.000 Palestijnen (in onze staat).” Volgens hem “kan er geen stabiele en sterke Joodse staat zijn zolang er slechts een Joodse meerderheid van 60 % is”. Maar: “De oorlog zal ons land geven. De concepten van ‘ons’ en ‘niet van ons’ zijn enkel concepten voor vredestijd. Tijdens de oorlog zullen zij al hun betekenis verliezen.”

Al in 1938 zou diezelfde David Ben Gurion, duidelijk maken dat hij zich nooit zou neerleggen bij maar een deel van het grondgebied. "(Ik ben) tevreden met een deel van het land, maar op basis van de veronderstelling dat nadat we een sterke macht hebben opgebouwd na de oprichting van een staat, we aan de opdeling van het land een eind zullen maken om het uit te breiden tot het gehele Land van Israël”.

Yossef Weitz, het hoofd van de afdeling nederzettingen van het Joods National Fonds – de organisatie die verantwoordelijk was voor het verwerven van land – legde in 1949 uit waarom de etnische zuiveringen plaatsvonden: “Verplaatsing (sic) dient niet slechts één doel – het reduceren van de Arabische bevolking – maar ook een tweede doel dat zeker niet minder belangrijk is, namelijk: om land te winnen dat nu door Arabieren wordt bebouwd en dat vrij te maken voor Joodse vestiging” en verder: “De enige oplossing is de Arabieren van hier naar de naburige landen te verplaatsen. Geen enkel dorp of geen enkele stam moet worden overgeslagen”.

Uiteindelijk zouden er in totaal 750.000 Palestijnen van hun grond worden verdreven of vluchten. Via een reeks Israëlische wetten werd de onteigening en overname van het grondgebied geregeld. De meeste van de 539 dorpen in wat nu Israël is, zijn compleet verwoest en/of getransformeerd in natuurgebied zonder enige indicatie vandaag dat daar ooit Palestijnse burgers woonden. In het zogenaamde ‘vredesproces’ vanaf Madrid (1991) en Oslo (1993) werd de vluchtelingenkwestie uitgesloten. Voor de Israëli’s aan de onderhandelingstafel begon het conflict pas in 1967, dus met uitsluiting van het drama van 1947-1949.

Er is vandaag weinig veranderd. Terwijl er onderhandeld wordt in Annapolis, neemt Israël nog altijd Palestijnse grond in beslag om er de muur, nederzettingen of wegen op te bouwen. In de Gazastrook wordt een hele bevolking economisch gewurgd. Dat dit heftige reacties oproept van Palestijnse zijde is dus niet erg verwonderlijk. Terwijl we via onze media regelmatig te horen krijgen dat Hamas geen vrede wil, is het minder bekend dat de huidige politieke generatie in Israël alleen maar in vrede is geïnteresseerd als dat verloopt via het zionistische dubbele concept: zoveel mogelijk land met zo weinig mogelijk Palestijnen. Op die eenzijdige manier is er natuurlijk geen vredesproces mogelijk.
 
(De citaten zijn afkomstig uit de verschillende studies van de historici Benny Morris, Ilan Pappe en Nur Masalha – zondag 18 mei – ‘60 jaar Nakba’  in Brusselse Pathé Palace, zie www.actieplatformpalestina.be)

 

Deel dit artikel