Brazilië triomfeert definitief over VS in subsidiedispuut


De Wereldhandelsorganisatie (WHO) heeft gisteren (donderdag) haar eerdere uitspraak bekrachtigd dat de Amerikaanse katoensubsidies illegaal zijn. Washington reageerde voorzichtig. Ontwikkelingsorganisaties zeggen dat hervorming van het Amerikaanse subsidiestelsel cruciaal is om de besprekingen over een wereldwijd akkoord over agrarische handel met succes af te ronden.


De WHO deed vorig jaar september een voorlopige uitspraak over de katoensubsidies, na een klacht van Brazilië die gesteund werd door enkele West-Afrikaanse katoenproducerende landen. Volgens Brazilië waren de subsidies die Amerika tussen 1999 en 2002 betaalde aan zijn katoenboeren in strijd met de regels van de WHO. Dat zou ook gelden voor nieuwe Amerikaanse subsidieregels, die uiterlijk in 2007 van kracht hadden moeten worden. De geschillencommissie van de WHO kwam vorig jaar tot de conclusie dat 3,2 miljard dollar aan jaarlijkse subsidies en 1,6 miljard aan exportkredieten die door de Verenigde Staten betaald waren aan onder meer de katoensector, inderdaad illegaal waren.
Die uitspraak is nu bekrachtigd. Amerika heeft nu tot 1 juli de tijd om zich te schikken naar de nieuwe regels, anders kan Brazilië sancties opleggen.
'We zullen het rapport goed bestuderen en ons samen met het Congres en de boeren beraden op de toekomst', reageerde Richard Mills, woordvoerder van de dienst van de Amerikaanse handelsvertegenwoordiging (USTR). 'De belangen van onze boeren zijn het beste gediend met ambitieuze wereldwijde hervormingen, door voortgaande multilaterale handelsbesprekingen over markttoegang, exportconcurrentie en binnenlandse steun, inclusief die voor katoen.'
Volgens critici zorgen de subsidies voor een te hoge productie in Amerika, waardoor de wereldmarkt overspoeld wordt met goedkopere producten en de prijzen dalen. Washington zegt dat steun minimale invloed heeft en ontkend dat die de wereldhandel verstoort.
Ontwikkelingsorgansatie Oxfam zegt dat het afschaffen van de katoensubsidies nodig is, wil de WHO aan haar verplichtingen kunnen voldoen en steun bieden aan de miljoenen boeren in ontwikkelingslanden die hun hoofd nauwelijks boven water kunnen houden. De organisatie stelt dat de Amerikaanse wil om het subsidiestelsel te hervormen, cruciaal is voor het slagen van de besprekingen over een wereldwijde handelsovereenkomst.
Op de handelsagenda die de Amerikaanse regering deze week presenteerde aan het Congres, staat het afronden van de multilaterale handelsbesprekingen aangekondigd als topprioriteit voor 2005. 'Als Amerika er niet in slaagt de landbouwsubsidies binnen het WHO-raamwerk te hervormen, dan wordt een wereldwijde overeenkomst over agrarische handel erg onzeker', zei Celine Charveriat van Oxfam. 'Als Amerika de besprekingen echt voor het einde van 2006 wil afronden, dan moet de hervorming van de katoensubsidies voor de volgende ministeriële WHO-ontmoeting in Hong Kong rond zijn.'
Eerder dit jaar bleek uit een rapport van een andere denktank het Institute for Agriculture and Trade Policy (IATP), dat Amerika in 2003 katoen exporteerde voor een prijs die 47 procent lager lag dan de kostprijs. 'Amerika moet zich ervan bewust worden dat kleine ontwikkelingslanden ook rechten hebben binnen het wereldwijde handelssysteem', zei Soloba Mady Keita, voorzitter van de vereniging van katoenproducenten in Kita in West-Mali in een verklaring.
Ontwikkelingsorganisaties schatten dat de dumppraktijken van de Verenigde Staten de arme, Afrikaanse katoenlanden tussen 2001 en 2003 ongeveer 400 miljoen dollar (305 miljoen euro) hebben gekost. In die landen zijn tien miljoen mensen direct afhankelijk van de katoenindustrie. Volgens Oxfam verdient een doorsnee katoenboer met een klein bedrijf in West-Afrika minder dan 400 dollar per jaar met zijn oogst. Twee miljoen katoenboeren in Mali werden onlangs onder druk gezet om een verdere prijsdaling van 25 procent te accepteren, waardoor veel van hen de productiekosten niet meer kunnen dekken.
In Amerika gaat 78 procent van de subsidies naar de grootste katoenboeren, die ongeveer 10 procent van alle katoenboeren uitmaken. Mazen in de subsidiewet zorgen ervoor dat de grote producenten een miljoen dollar aan subsidies opstrijken, terwijl de kleine boeren in Amerika en daarbuiten steeds moeilijker hun bedrijf draaiende kunnen houden door lage marktprijzen en hoge productiekosten.
Veel handelsexperts stelden na de uitspraak van de WHO in september dat dit een voorbode kon zijn van hervorming van diverse andere subsidiestelsels in Amerika, Europa en elders. Braziliaanse sojaboeren dringen er bij hun regering opnieuw op aan een klacht in te dienen bij de WHO, ditmaal over de Amerikaanse subsidies op sojabonen. Het IATP heeft berekend dat Amerikaanse sojabonen gemiddeld voor 10 procent onder de kostprijs worden geëxporteerd.
Maar liefst 43 ontwikkelingslanden zijn van één product afhankelijk voor 20 procent van hun exportinkomsten uit koopwaren. De meeste van die landen liggen in Afrika bezuiden de Sahara, Latijns-Amerika en het Caribische gebied. Zij zijn afhankelijk van de export van suiker, koffie, katoen en bananen. (JS/ADR)

Deel dit artikel