Israëlisch Hooggerechtshof keurt ‘targetted killings’ niet af!

Tussen september 2000 en December 2006 heeft het Israëlisch leger 582 Palestijnen gedood in operaties die Israël  ‘targeted killings’ noemt. Onder de slachtoffers ruim 257 burgers.

Het Israëlisch Hooggerechtshof oordeelt dat “vooraf niet kan worden bepaald dat alle “targeted killings” in strijd met het internationaal recht zijn” Of deze ‘targeted killings’ veroorloofd zijn, moet geval per geval onderzocht worden, besluit het Hof. Maw,  het Israëlisch Hof laat het leger veel ruimte om verder te gaan met deze vorm van buitengerechtelijke executies.

Rode Kruis-Vlaanderen maakte een samenvatting van het vonnis; MIFTAH neemt standpunt in.

Rode Kruis-Vlaanderen

NIEUWSBRIEF NR. 33 DECEMBER

IHR-bericht
Israëlische uitspraak over ‘targeted killing’
Op 14 december 2006 deed het Israëlische Hooggerechtshof uitspraak over de wettelijkheid van de praktijk van ‘targeted killing’, een onderdeel van het officiële Israëlische anti-terreurbeleid. Het vonnis komt er na jaren van beraadslaging in een proces dat begin 2002 door een Israëlische en een Palestijnse NGO tegen de staat Israël ingespannen werd. Onder ‘targeted killing’ verstaat men het doelgericht doden door Israël van Palestijnen die verdacht worden van betrokkenheid bij terrorisme.
Om te komen tot een beoordeling van het beleid van ‘targeted killing’, diende het Hof eerst het normatief kader te bepalen waarbinnen de betwiste praktijk plaatsvindt. In lijn met eerdere uitspraken, stelden de rechters dat de strijd tussen Israël en de gewapende Palestijnse groeperingen gekarakteriseerd moet worden als een internationaal gewapend conflict. Het toepasselijke wettelijke regime is dus in de eerste plaats het internationaal humanitair recht.
Of een persoon in het kader van een internationaal gewapend conflict een legitiem doelwit vormt, wordt volgens het Hof primair bepaald door diens status. De leden van de door Israël geviseerde Palestijnse organisaties, zoals Hamas en de Al-Aqsa Martelarenbrigades, hebben volgens het Israëlische Hooggerechtshof niet de status van strijder. De vermelde groeperingen beantwoorden immers niet aan de traditionele vereisten waaraan een legitieme strijdmacht moet voldoen. De rechters verwijzen daarbij in de eerste plaats naar het niet openlijk dragen van een distinctief embleem en het gebrek aan respect voor het internationaal humanitair recht.
Indien de leden van de betreffende Palestijnse organisaties geen strijders zijn, zijn zij dan burgers? Het Hof beantwoordde deze vraag bevestigend. Het benadrukt dat het bestaande recht voor internationale gewapende conflicten slechts twee statuten voorziet: dat van burger en dat van strijder. Het Israëlisch Hooggerechtshof verwerpt uitdrukkelijk het bestaan van een juridische tussencategorie van zogenaamde ‘illegal combattants’.
Als burgers genieten Palestijnse militanten bescherming tegen aanvallen, maar die bescherming is volgens het Hof niet absoluut. Het verwijst daarbij naar artikel 51(3) van het Eerste Aanvullende Protocol, dat volgens de rechters in zijn geheel tot het gewoonterecht behoort. Het artikel bepaalt dat burgers beschermd zijn tegen aanvallen “behalve wanneer en zolang zij rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen”. Het Hof stelt terecht dat er over de precieze interpretatie van het concept ‘directe deelname’ en de tijdelijkheid van het verlies van bescherming onder internationale rechtsspecialisten geen consensus bestaat. Het geeft daarom zijn eigen invulling aan de betreffende bepaling.
Onder directe deelname aan de vijandelijkheden verstaat het Israëlisch Hooggerechtshof niet enkel het uitvoeren van een aanval, maar ook ondersteunende activiteiten zoals inlichtingenvergaring, het transport van de facto strijders naar de plaats waar de strijd plaatsvindt en het hanteren of superviseren van de wapens en munitie waarvan die strijders gebruik maken. Het beslissen over de uitvoering van een aanval en de planning ervan wordt eveneens beschouwd als rechtstreekse deelname. Activiteiten die volgens het Hof niet als zodanig aangemerkt kunnen worden, zijn: het voorzien van de facto strijders met eten of medicijnen, het verstrekken van algemene logistieke steun en financiering, het maken van algemene strategische analyses en het verspreiden van propaganda.
 
Burgers die rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, verliezen hun bescherming slechts tijdelijk. Bij de concrete toepassing van deze wettelijke beperking maakt het Hof een onderscheid tussen burgers die in het kader van een terroristische organisatie geregeld aan de strijd deelnemen en zij die dat slechts éénmaal of sporadisch doen. Laatstgenoemde personen genieten bescherming tegen aanvallen van zodra ze zich distanciëren van hun eerdere activiteiten. Zij die daarentegen op regelmatige basis direct aan de strijd deelnemen, vormen te allen tijde een legitiem doelwit. De periodes tussen twee aanvallen worden in dat geval door het Hof beschouwd als voorbereidende fasen tijdens dewelke de facto strijders geen recht hebben op bescherming.
Tot slot bepaalde het Israëlische Hooggerechtshof een aantal criteria waaraan een doelgerichte aanval moet voldoen om gerechtvaardigd te zijn. Deze criteria zijn:
 de beschikbaarheid van goede informatie betreffende de identiteit en de activiteiten van het doelwit;
 het ontbreken van een realistische mogelijkheid om minder schadelijke middelen, zoals arrestatie, aan te wenden;
 respect voor het proportionaliteitsprincipe m.a.w. de verwachte nevenschade aan burgers mag niet buitensporig zijn;
 de uitvoering van een onafhankelijk post factum-onderzoek (na de aanval) naar de identificatie van het doelwit en de omstandigheden van de aanval.
De Engelse vertaling van het vonnis en een samenvatting ervan is te vinden op de website van het Israëlische Hooggerechtshof onder de titel “The Public Committee against Torture in Israel v. The Government of Israel (HCJ 769/02)”: http://www.court.gov.il/heb/home.htm


Israel’s Supreme Court Approves Assassinations
By MIFTAH

December 14, 2006
Israel’s highest judicial authority, the Israeli Supreme Court, has decided not to ban the Israeli army’s so called “targeted killings” of Palestinians suspected of involvement in military operations against Israeli targets. The ruling was carried out this morning amid Palestinian concerns that this grants Israeli military forces a green light to continue its extra-judicial killings of Palestinian activists, politicians, and members of armed wings of the various political factions in the West Bank and the Gaza Strip.
According to the ruling, the Court stated that it “…cannot determine in advance that all targeted killings are contrary to international law. At the same time, it is not possible that all such liquidations are in line with international law." "The legality of all targeted killings must be examined on a case by case basis," it affirmed.
Effectively, the Court is leaving plenty of room for the army to manoeuvre in deciding the legality of assassinations, however, it also urges members of the security forces to demonstrate “caution” in order not to kill or injure civilian bystanders during such attacks. "Innocent civilians should not be targeted," the ruling stated, "intelligence on the (targeted) person's identity must be carefully verified."
Since September 2000, Israeli military forces have assassinated 582 Palestinians in operations classified by Israel as “targeted killings,” including 257 innocent bystanders. These killings are strongly condemned by Palestinians as extra-judicial killings, in which the Israeli Government has a free hand in solely determining the target, the verdict, and the means to execute judgment on Palestinian citizens suspected of resisting its occupation through violence.

 

Deel dit artikel