Massale aandacht voor rampen is uitzondering, niet de regel

Dit opiniestuk verscheen in De Morgen op 17 augustus 2010

waterellende_110De recente overstroming in Pakistan is één van de grootste rampen uit de geschiedenis. Meer dan 10% van de Pakistanen wordt erdoor getroffen. Secretaris-generaal Ban Ki Moon spreekt van het ergste wat hij al zag. Toch lijkt het moeilijk de wereld te mobiliseren tot actie. Wat een verschil met de golf van solidariteit die de aardbeving in Haïti eerder dit jaar teweegbracht.

Het doet een beetje denken aan 2005. Terwijl in de kerstvakantie 2004 ongeveer 250 000 slachtoffers vielen ten gevolge van de tsunami, werd Pakistan enkele maanden later getroffen door een verwoestende aardbeving die meer dan 70.000 mensenlevens kostte. Iedereen herinnert zich nog de actie voor de tsunami, slechts enkele weken na de ramp. Ze bracht meer dan 50 miljoen euro op. Voor Pakistan werd  - enkele maanden na de ramp - het samenwerkingsverband HOOP (Help ons overwinteren in Pakistan) opgestart. Met volle hulp van de media en een televisieshow werd iets meer dan  5,5 miljoen euro, of ongeveer 10 keer minder ingezameld.

De timing van de rampen in Haïti en de door de tsunami getroffen landen was vanuit het oogpunt van fondsenwerving blijkbaar ideaal. Rond de kerstperiode zijn de mensen erg vatbaar voor solidariteit. Is dat in de zomervakantie minder het geval? Sri Lanka en Indonesië hebben ook een uitgebreide toeristische industrie waardoor meer mensen affiniteit hebben met de getroffen bevolking. De aanwezigheid van een groot aantal  Belgische hulporganisaties in bijvoorbeeld Haïti zorgde voor een directe band met het land. In Pakistan zijn quasi geen Belgische hulporganisaties actief, het is ver van een populaire vakantiebestemming en het land kampt met een negatiever imago bij het westers publiek. Dat laatste wordt dan in verband gebracht met de Taliban, terrorisme en volgens sommigen ook gewoon de islam. Beelden uit het “onherbergzame” Pakistan spreken blijkbaar minder tot de verbeelding dan uit tropische bestemmingen.

Het lijken voor ons logische verklaringen die echter heel pijnlijk zijn voor de Pakistaanse slachtoffers. En bij uitbreiding voor al die slachtoffers van vergeten rampen die zich dagelijks afspelen in ontwikkelingslanden. Wie weet dat er wekelijks 170.000 kinderen jonger dan 5 jaar sterven, door de “alledaagse” gevallen van armoede in het Zuiden? De ene ramp is mediagenieker en “beter getimed” dan de andere. Met het ene slachtoffer voelen we meer affiniteit dan met het andere. De ene ramp genereert bij de bevolking meer financiële steun dan de andere. Dit speelt niet alleen op het terrein van de noodhulp. Ook organisaties die structureel en op langere termijn werken weten dat schenkers hun gevoeligheden hebben. Zo zal een project met uitgemergelde kinderen  meer gesteund worden dan een project om het overheidsbudget van ontwikkelingslanden op corruptie na te kijken. Beide projecten zijn relevant, maar als ze in concurrentie staan, spelen emotionaliteit en herkenbaarheid een grote rol bij de keuze van wat wel en wat niet kan rekenen op steun. Het is echter wel onze ervaring dat ook complexere projecten op steun kunnen rekenen als je als organisatie hierover consequent communiceert.

De bevolking is in vergelijking met de ramp in Haiti enkele maanden geleden niet plots minder solidair geworden. Misschien dreigt er een schenkersmoeheid, de cijfers tonen echter aan dat de Belgen – ondanks de crisis – behoorlijk solidair blijven met het Zuiden.
Maar van het ene op het andere moment massale solidariteit opwekken bij de bevolking is niet evident als daarvoor de structuur niet bestaat. Een massale actie opzetten vergt een stevige financiële investering en niemand is erbij gebaat als dit op een verlieslatende manier gebeurt. Dit brengt niets op voor de slachtoffers in Pakistan, en het zou nog ten koste kunnen gaan van andere noden in het Zuiden.

Ondertussen tasten heel wat noodhulporganisaties in hun reserves om de ergste noden ter plekke te lenigen en starten zij reeds individuele acties op. Onze overheid daarentegen is niet afhankelijk van giften die door emotie worden bepaald. Ze moet het goed voorbeeld geven bij een ramp als deze in Pakistan. In die zin mag ze zeker wat meer geld vrijmaken dan de tot nu toe toegezegde hulp van 2 miljoen euro. Dat is 10 keer minder dan voor Haiti. 

De massale aandacht die de tsunami en Haïti gekregen hebben, is uitzonderlijk. Daarom moeten ontwikkelingsorganisaties op zo’n moment de handen in elkaar slaan en de aandacht vestigen op vergeten of minder gemediatiseerde rampen en slachtoffers. Concreet moet het mogelijk zijn een deel van de verkregen middelen in een reservefonds te storten. Enkele noodhulporganisaties beschikken al over zo’n reservefonds. Dit kan vast nog uitgebreid en verhoogd worden. Na de noodhulp volgt de reconstructie en langetermijn ontwikkeling van het getroffen gebied.  Ook daarvoor moet ontbreken vaak de middelen. Mits een transparante communicatie is de solidaire bevolking vast te overtuigen om bij rampen zoals de Tsunami of Haïti ook de zovele vergeten slachtoffers van armoede en minder zichtbare rampen te steunen.

Bogdan Vanden Berghe
Algemeen Secretaris 11.11.11- Koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging

 

Deel dit artikel