Palestijnse werknemers speelbal van Israëls economische kolonisatie

40 JAAR BEZETTING!

Elke lidorganisatie van het Actieplatform Palestina belicht een deelaspect van het leven onder de bezetting. Een inbreng van FOS-Socialistische Solidariteit.

Het economisch beleid van Israël in de bezette Palestijnse gebieden is op twee pijlers gebouwd.  Enerzijds worden de vruchtbare landbouwgebieden (o.m. op de oostelijke Jordaanoever)  en industriële zones (o.m. rond Tulkarem, Qalqiliya, Jericho) ingeschakeld in de eigen economie, een beleid dat samen met de nederzettingen past  in de verdere kolonisatie. De Palestijnse werknemers worden hier als goedkope arbeidskrachten ingeschakeld, maar zwaar gediscrimineerd op het vlak van sociale rechten.  Anderzijds belet Israël de uitbouw van een eigen Palestijnse economie. Het afgrendelingsbeleid is daar de duidelijkste exponent van.

A. Palestijnse economie afgestemd op Israël. 
Voor 1967 viel de Westelijke Jordaanoever onder Jordaans gezag; de Gazastrook behoorde tot Egypte. Sinds de Juni-oorlog van '67 bezet Israël de Palestijnse gebieden.
In de eerste periode van de bezetting (1967 -  1987) is de Palestijnse economie volledig afhankelijk van de beslissingen die in Israël genomen worden, wat in feite neerkwam op een inschakeling van de Palestijnse economie in de Israëlsche. Palestijnen konden zich vrij verplaatsen om op de Israëlische arbeidsmarkt werk te zoeken. Eén derde van de Palestijnse werknemers, en sommige schattingen gaan tot 50 %,  werkte voor een Israëlische werkgever.  Velen zochten ook werk in de olieproducerende Arabische landen. 

In oktober 1973 sloten de Israëlische ministeries van Defensie en van Arbeid een akkoord met de veiligheidsdienst Shabak en de Israëlische vakbondskoepel Histadrut: Palestijnse werknemers in Israël tewerkgesteld worden als dagarbeiders vergoed en niet als voltijdse werknemers. Hierdoor werden de Palestijnse werknemers, hoewel ze  evenveel sociale bijdragen betaalden als hun Israëlische collega’s, uitgesloten van een aantal sociale voordelen, zoals de uitbetaling van feestdagen, ziekte- en ongevallenverzekering.

Na de eerste Intifada (1987-1991) en zeker na de Golf-oorlog in de winter van 90-91, trof Israël de eerste maatregelen om de Palestijnse gebieden af te sluiten en zette het land de deuren open voor Aziatische gastarbeiders om de Palestijnse werkkrachten te vervangen. Dit zorgde voor een eerste grote terugval tot 16 %. Daarna groeide het aantal Palestijnse werknemers in Israël of in de Israëlische kolonies geleidelijk weer tot  23 procent in 1999,  of in absolute cijfers 126.000 op een totaal van 555.000 werknemers.

Sinds Israël eind 2000 zijn grenzen volledig heeft afgesloten, is het voor de Palestijnen zo goed als onmogelijk geworden om legaal op de Israëlische arbeidsmarkt werk te vinden. Dit betekent een zware klap voor de Palestijnse arbeiders. De Palestijnse economie is niet in staat geweest om de extra toevloed van meer dan 100.000 werknemers op te vangen.  Hierdoor is niet alleen de werkloosheid toegenomen, maar werd ook de ganse arbeidsmarkt ontwricht. Het gemiddelde inkomen van de Palestijnen daalde, door het wegvallen van de hogere Israëlische salarissen.
Een studie van begin 2004 schatte het aantal Palestijnen die voor een Israëlische werkgever werken nog maar op 45.000, waarvan ruim 30.000 illegaal. De bouw van de muur sluit de Israëlische arbeidsmarkt zo goed als volledig af.

Abdel Asbiteh uit Gaza werkte sinds 1994 voor een Israëlische bouwfirma in de industriële zone van Mejdal-Israël. In 2003 weigerde zijn werkgever hem plots zijn werkvergunning, en werd Asbiteh gedwongen werkloos. Door toedoen van zijn vakbond veroordeelde een Israëlische  rechter de werkgever alsnog tot de betaling van een schadeloosstelling.

B. Palestijnse economie gewurgd.
Volgens het Akkoord van Parijs in 1994 kreeg de Palestijnse Autoriteit de verantwoordelijkheid over de Palestijnse economie, maar veel ruimte om successen te boeken werd hen niet gegund.
Israël heeft op de Westelijke Jordaanoever, in de nabijheid van de grote settlements, industriële zones opgericht, zoals o.m. in Maale Adumim, Qalqiliya, Tulkarem, Jericho. Met allerlei belastingsvoordelen worden Israëlische bedrijven naar deze gebieden aangetrokken. De Palestijnse werknemers worden grondig gescreend vooraleer zij een werkvergunning kunnen krijgen, maar bovendien zijn zij niet meer dan goedkope arbeidskrachten, die minder verdienen dan de Israëlische collega’s.

Vanaf eind 2000, sinds het uitbreken van de 2de  Intifada, zorgde het Israëlisch afgrendelingsbeleid voor een verdere terugval van de Palestijnse economie.

In de serres of green houses in Gaza produceerden de Israëlische settlers voornamelijk groenten en fruit voor de Israëlische markt. Na de ontruiming maakte de Europese Unie geld vrij om een doorstart van deze landbouwbedrijven mogelijk te maken. De grensovergangen naar Israël bleven meestal gesloten, en dus konden de bedrijven hun producten niet op de Israëlische markt kwijt. Na minder dan een jaar staan de arbeiders werkloos op straat.

De Palestijnse Autoriteit kreeg niet de ruimte om een echte strategie te ontwikkelen om de economie te stimuleren. De Palestijnse Autoriteit investeerde voornamelijk in de uitbouw van het overheidsapparaat en creëerde alzo duizenden jobs voor voornamelijk geschoolde arbeidskrachten. Tijdens de Israëlische bezetting telde de openbare administratie minder dan 40.000 arbeidsplaatsen. Vandaag stelt de Palestijnse Autoriteit 140.000 werknemers en bedienden te werk.  Sinds de verkiezingsoverwinning van Hamas weigert Israël om de douanerechten op invoer naar de Palestijnse gebieden door te storten.  Samen met de internationale drooglegging heeft deze maatregel tot een totale ontregeling van het overheidsapparaat geleid.

De Palestijnse Autoriteit plande de bouw van industriële zones maar deze plannen werden nooit uitgevoerd, en evenmin werden maatregelen  genomen om investeringen te stimuleren.  Daarentegen investeerde de PA zwaar  in een aantal projecten, zoals de aanleg van een luchthaven en een zeehaven in Gaza, symbolen voor een onafhankelijke Palestijnse Staat.
Het resultaat is : de Palestijnse economie blijft sterk afhankelijk van de beslissingen genomen in Tel Aviv.  95 % van de Palestijnse export gaat naar Israël, en 88% van de import komt uit dit land. De vrije invoer van Israëlische goederen heeft als gevolg dat de lokale Palestijnse producten werden weggeconcurreerd. Vele bedrijven zijn gesloten of hebben hun productie teruggeschroefd, vnl. in de sectoren textiel, schoenen, voeding en kunststoffen.

Door de bouw van de muur en andere onteigening van gronden, is in de landbouwsector voor 288 miljoen dollar schade aangericht; landbouwgronden, boomgaarden en groentenserres werden vernield. Meer dan 413 kleine bedrijfjes (electriciteit, textiel, leder, houtbewerking, enz) werden vernield.  Verschillende studies verwachten –als de muur volledig klaar zal zijn- dat:
• de handel en de industrie met 62% zal teruglopen;
•  de koopkracht met 52% zal afnemen
• 46% van de werknemers tewerkgesteld in de handel en de industrie zal ontslagen worden.
•  De gemiddelde  lonen zullen dalen met 32 %;
• De productiviteit zal afnemen met 49 %.

 Volgens de gegevens van het Palestijns Bureau voor de Statistiek (2005) verloor 57,4 % van de Palestijnse families meer dan de helft van hun inkomen in vergelijking met de situatie voor september 2000.  De negatieve groei van de economie en de groeiende bevolking  zijn hier verantwoordelijk voor.  Eind 2005 was 28 % van de Palestijnse families afhankelijk van externe hulp, meestal in de vorm van voedselpakketten, om rond te komen.  De toestand is er sindsdien niet op verbeterd, in tegendeel.

C. Palestijnse werknemers verstrikt in een wettelijke kluwen
De Oslo-akkoorden van 1993 luidden een nieuwe fase van het Israëlisch-Palestijns conflict in en stelde de oprichting van een onafhankelijke Palestijnse staat op de in ‘67 bezette Westelijke Jordaanoever en Gaza-strook in het vooruitzicht. De akkoorden zijn niet echt van de grond gekomen. Een gevolg is dat de Palestijnse werknemers verzeild zijn in een kluwen van wetten. Het nieuwe Palestijnse wettelijk kader staat nog in zijn kinderschoenen, en dus blijven de oude Ottomaanse, Egyptische (gangbaar in Gaza), Jordaanse wetten (gangbaar op de Westelijke Jordaanoever) en Israëlische militaire verordeningen nog van kracht. Het ontbreken van een duidelijk wettelijk kader, gekoppeld aan de grote werkloosheid, levert de Palestijnse werknemers over aan willekeur van de werkgevers.  In deze moeilijke context blijven de vakbonden aandringen op verhoogde arbeidsinspecties én op het vastleggen van een minimumloon.

Israël heeft het juridisch kluwen nog wat groter gemaakt, en bepaald dat Palestijnse werknemers in de Israëlische industriële zones op de Westelijke Jordaanoever onder Jordaans recht vallen  (met uitzondering van het minimumloon dat op Israëlisch niveau is vastgesteld). Dat betekent dat deze arbeiders niet kunnen genieten van dezelfde sociale rechten als hun Israëlische collega’s. (voor meer informatie zie : Strangers in Their Own Land  van de Israëlische organisatie KavLaOved ).

Bronnen:
Democracy and Workers’ Rights Center – Palestina
Palestinian General Federation of Trade Unions - Palestina
KavLaOved- Israël

Wim Leysens
FOS-Regioverantwoordelijke Palestina

Deel dit artikel